Uurtarief en AI: aan wie komt de tijdwinst toe?

Op 4 maart 2026 weigerde de Rechtbank Noord-Holland een WOZ-taxatierapport nog te vergoeden als twee uur werk van een deskundige. Zulke rapporten komen volgens de rechtbank vooral tot stand met openbare gegevens, software en kunstmatige intelligentie, en "ook het toepassen van een uurtarief past naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet". De vergoeding werd vastgesteld op € 15 per rapport (1). Het ging om de proceskostenvergoeding voor WOZ-gemachtigden onder het Besluit proceskosten bestuursrecht, niet om de declaratie van een advocaat. De vraag raakt de advocatuur evengoed. In augustus herinnerde het Hof van Discipline eraan wat aan iedere urendeclaratie voorafgaat: uit regel 17 van de Gedragsregels en het arrest van het Hof van Justitie van 12 januari 2023 volgt "dat een advocaat vooraf een schatting moet maken van de verwachte tijdsbesteding en het totaal aan kosten" (2).

Intussen voeren cliënten de druk op. Begin september meldde de Financial Times dat Goldman Sachs, Morgan Stanley en Citigroup bij hun advocatenkantoren aandrongen op lagere prijzen, nu die kantoren dankzij AI tijd besparen. In een onderzoek van Citi onder 57 kantoren zei ongeveer de helft dat AI al gevolgen heeft gehad voor het urenmodel, terwijl de vraag naar advocatenuren in het eerste halfjaar juist met 4,2% groeide, tegen een gebruikelijke groei van ongeveer 1,5% (3). Op 20 oktober volgde een onderzoek onder 300 Amerikaanse bedrijfsjuristen, uitgevoerd in opdracht van een leverancier van juridische software. Van hen verwacht 60% lagere declaraties of minder gedeclareerde uren wanneer kantoren AI inzetten, en 62% verwacht dat kantoren dat gebruik melden (4). Op de vraag aan wie de tijdwinst toekomt, geeft het bestaande honorariumrecht al grotendeels antwoord, zij het in Nederland, Duitsland en Frankrijk op duidelijk verschillende manieren.

Wat AI verandert aan het werk achter de declaratie

AI verkort niet al het juridische werk in gelijke mate. Het verkort vooral de onderdelen die vanzelfsprekend per uur werden gedeclareerd: het eerste concept van een memo of processtuk, de samenvatting van een omvangrijk dossier, de vergelijking van een contract met een model, een eerste ronde jurisprudentieonderzoek naar een bekende vraag. Dat is ook het werk dat traditioneel bij advocaat-stagiairs en jonge medewerkers ligt, en daarom komt de druk als eerste te liggen op de uren die een groot deel van de marge van een kantoor dragen.

Andere onderdelen worden niet korter, en sommige worden langer. Iedere bron in een met AI opgesteld concept moet nog steeds worden geopend en gelezen; ieder feit dat uit een stuk is overgenomen, moet aan de hand van dat stuk worden gecontroleerd. De NOvA-aanbevelingen zeggen het zonder omhaal: controleer citaten, jurisprudentie en feiten altijd handmatig vóór gebruik (5). Wat er gebeurt als die stap wordt overgeslagen, laten de tuchtrechter en de civiele rechter zien. Op 27 juli 2026 legde de Raad van Discipline 's-Hertogenbosch een berisping op aan een advocaat die in een huurzaak door een AI-tool gegenereerde rechtspraak "klakkeloos" in een conclusie van antwoord had overgenomen. De verwijzingen waren niet op juistheid gecontroleerd en de uitspraken niet eens gelezen (6). Op 12 augustus 2026 verhoogde de Rechtbank Amsterdam een proceskostenveroordeling met een half punt, € 2.315,50, omdat een conclusie van antwoord een citaat uit het arrest DSM/Fox bevatte dat noch in dat arrest, noch elders in gepubliceerde rechtspraak voorkomt. De wederpartij stelde dat AI was gebruikt en de advocaat ontkende dat; voor de rechtbank was die vraag niet beslissend (7). Ons artikel over AI-gegenereerde valse citaties gaat daar uitgebreid op in. Het strategische oordeel en de verantwoordelijkheid voor het advies blijven bovendien precies waar ze waren.

De gevolgen voor de prijs zijn eenvoudig te formuleren. Bij een uurtarief komt de tijd die AI bespaart automatisch ten goede aan de cliënt, of het kantoor dat nu wil of niet. Bij een vooraf afgesproken vaste prijs blijft de besparing bij het kantoor. Daarom vragen cliënten nu wat AI in hun dossier doet, en daarom kijken kantoren opnieuw naar vaste prijzen en prijzen per fase. Beide modellen kunnen zorgvuldig worden ingericht, en beide kunnen in strijd komen met de regels.

De gemeenschappelijke regel: alleen werkelijk bestede tijd

Het duidelijkste standpunt tot nu toe komt uit de Verenigde Staten. In juli 2024 schreef de ethiekcommissie van de American Bar Association dat AI-tools een advocaat sneller kunnen laten werken, maar dat wie per uur declareert, de werkelijk bestede tijd moet declareren. In de woorden van de opinie: "lawyers who bill clients an hourly rate for time spent on a matter must bill for their actual time" (8). Een advocaat die een kwartier besteedt aan het invoeren van materiaal voor een processtuk, mag dat kwartier in rekening brengen, plus de tijd om het concept op juistheid en volledigheid te controleren, maar niet de uren die het concept vroeger zou hebben gekost. Ook een bijzonder efficiënte advocaat mag niet meer uren rekenen dan hij werkelijk heeft besteed. Een vaste prijs die gelijk blijft terwijl het werk met de tool veel sneller gaat, kan onredelijk zijn. En de tijd om te leren werken met een tool die de advocaat ook voor andere cliënten gebruikt, komt niet voor rekening van de cliënt, tenzij die uitdrukkelijk om die specifieke tool heeft gevraagd.

Geen Europese orde van advocaten heeft een bindende honorariumregel voor AI vastgesteld. In haar aanbevelingen adviseert de NOvA advocaten de cliënt om toestemming te vragen voor AI-gebruik in het dossier en cliënten te informeren over het AI-beleid van het kantoor, maar over declareren, uurtarieven en het doorbelasten van de kosten van tools zegt zij niets (5). Ook de Duitse Bundesrechtsanwaltskammer zwijgt in haar handreiking over AI van december 2024 over honoraria; zij beveelt wel aan het gebruik van AI contractueel met de cliënt te regelen (9). De Franse Conseil national des barreaux gaat het verst. Volgens de gids over AI en deontologie die hij in maart 2026 aannam, kan AI het honorarium twee kanten op duwen: omlaag door de bespaarde tijd, omhoog door de kosten van de technologie. Het honorarium moet evenwichtig en transparant worden vastgesteld, met oog voor de bespaarde tijd, de kosten van de technologie en de verantwoordelijkheid van de advocaat voor wat AI heeft gegenereerd. De schriftelijke honorariumovereenkomst is de plaats om dat te regelen (10). Voor het overige volgen de Europese antwoorden uit het algemene honorariumrecht, en die komen op hetzelfde neer: ieder stelsel verbindt een uurtarief met werk dat werkelijk is verricht, en geeft de cliënt, de rechter of de tuchtrechter de middelen om dat verband te toetsen.

Nederland: een redelijk honorarium, een schatting vooraf, geen no cure no pay

Regel 17, lid voor lid

Het Nederlandse kader staat grotendeels in regel 17 van de Gedragsregels advocatuur 2018 (11). Lid 1 verplicht de advocaat bij het vaststellen van zijn declaratie een, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijk honorarium in rekening te brengen. Volgens lid 2 zorgt hij ervoor dat bij het aanvaarden van de opdracht duidelijke afspraken zijn gemaakt over zijn honorarium, de doorbelasting van kosten en de wijze van declareren. Lid 3 verplicht hem de cliënt in te lichten zodra hij voorziet dat de declaratie aanmerkelijk hoger wordt dan de aanvankelijk opgegeven schatting. Lid 4 schrijft voor dat de cliënt uit de declaratie eenvoudig kan opmaken wat wordt gerekend voor honorarium, verschotten en omzetbelasting, en dat het honorarium in beginsel periodiek en deugdelijk gespecificeerd wordt gedeclareerd, "onder opgave van tarief en tijdsbesteding of een andere overeengekomen grondslag". De leden 5 tot en met 7 gaan over de afwikkeling. Maakt de cliënt bezwaar tegen de declaratie, dan wijst de advocaat hem op de kantoorklachtenregeling en de andere mogelijkheden om het geschil op te lossen. Voor conservatoire maatregelen of een faillissementsaanvraag wegens een nog niet in rechte vastgestelde vordering op de cliënt is voorafgaand overleg met de deken vereist, en datzelfde geldt voor beslag onder zichzelf of onder de eigen derdengeldenstichting.

De toelichting maakt de regel concreet. De advocaat moet vooraf transparant zijn over zijn honorarium, de kosten en de wijze van declareren, en zal daarom "veelal een inschatting moeten geven van de te verwachten tijdsbesteding en het totaal aan kosten". Soms kan dat niet, maar een schatting die redelijkerwijs wel te geven is, mag niet achterwege blijven om de informatieplicht van lid 3 te ontlopen. Tarief, eventuele andere grondslag, omzetbelasting en frequentie van declareren moeten voor de cliënt inzichtelijk zijn. Sinds de begrotingsprocedure uit de Wet tarieven in burgerlijke zaken is vervallen, wordt een geschil over een declaratie volgens de toelichting in beginsel afgehandeld als iedere andere vordering, tenzij partijen vooraf hebben afgesproken het geschil voor te leggen aan een onafhankelijke instantie zoals de Geschillencommissie Advocatuur. Daarom belanden de consumentenzaken die hieronder aan bod komen bij de kantonrechter of de rechtbank.

Regel 16 vult dit aan: belangrijke afspraken worden schriftelijk bevestigd, en bij het aanvaarden van een opdracht bespreekt de advocaat de financiële consequenties met de cliënt. Art. 7.5 van de Verordening op de advocatuur, de bepaling over de opdrachtbevestiging, zegt daarentegen niets over het honorarium (12). De plicht om over de prijs te informeren volgt dus uit de Gedragsregels en, bij consumenten, uit het consumentenrecht.

Hoe de tuchtrechter toetst

De tuchtrechter beslecht geen declaratiegeschillen, maar toetst wel, marginaal, of excessief is gedeclareerd. Het Hof van Discipline betrekt daarbij alle omstandigheden, zoals de aard en complexiteit van de zaak, de financiële hoedanigheid van de cliënt, de financiële belangen die met de zaak zijn gemoeid en "de verhouding tussen het in rekening gebrachte bedrag en de verrichte werkzaamheden" (2). In de zaak van 14 augustus 2026 waren de declaraties voldoende gespecificeerd en niet excessief, maar had de advocaat vooraf geen schatting gemaakt. Dat klachtonderdeel was gegrond, en de waarschuwing bleef in stand. De Raad van Discipline Den Haag formuleerde in maart 2026 wat van een advocaat mag worden verwacht: "niet alleen een heldere opdrachtbevestiging maar ook een plan van aanpak en een adequate begroting", en regelmatig factureren volgens de gemaakte afspraken (13). In die zaak, waarin zonder voorafgaande begroting meer dan € 166.000 was gedeclareerd, volgde in eerste aanleg schrapping, mede omdat de advocaat noch op de deken noch op de raad had gereageerd.

Wat dit betekent voor werk met AI

Voor werk met AI heeft dit twee gevolgen. Ten eerste moet een urendeclaratie de werkelijk bestede tijd weergeven. De specificatieplicht van lid 4 is er juist om de cliënt dat te laten nagaan. Ten tweede moet de schatting bij aanvang aansluiten bij de manier waarop het kantoor nu werkt. Een schatting die uitgaat van een werkwijze van vóór AI, overschat de uren. En een te ruime schatting zet de enige waarborg van lid 3 stilletjes buiten werking: de plicht om de cliënt in te lichten ontstaat pas als de declaratie de schatting aanmerkelijk dreigt te overschrijden. Het omgekeerde verdient evenveel aandacht. Een schatting die uitgaat van een werkwijze met AI, moet ook de tijd voor controle omvatten. Ontbreekt die, dan moet de cliënt al snel op grond van lid 3 worden ingelicht.

Resultaatgerelateerd honorarium: art. 7.7 Voda en het lage en het hoge tarief

Een honorarium dat alleen bij succes verschuldigd is, blijft grotendeels uitgesloten. Art. 7.7 van de Verordening op de advocatuur verbiedt de advocaat overeen te komen dat alleen bij het behalen van een bepaald gevolg honorarium in rekening wordt gebracht, of dat het honorarium een evenredig deel zal bedragen van de waarde van het gevolg dat met zijn bijstand moet worden bereikt (12). Het verbod geldt niet voor een binnen de advocatuur gebruikelijk en aanvaard incassotarief (art. 7.8) en niet binnen de afzonderlijke regeling voor letsel- en overlijdensschadezaken.

Binnen die grenzen bestaat wel ruimte. De toelichting bij regel 17 wijst op tuchtrechtspraak die teruggaat tot een beslissing van het Hof van Discipline van 9 februari 1998: geoorloofd is een afspraak waarbij zonder positief resultaat een laag uurtarief wordt gedeclareerd en bij een positief resultaat een hoger tarief geldt. Er bestaat volgens de toelichting ook geen wezenlijk bezwaar tegen een afspraak waarbij de verhoging van het lage tarief wordt gerelateerd aan een percentage van de waarde van dat positieve gevolg, mits het lage tarief kostendekkend is en voorziet in een bescheiden salaris voor de advocaat (11). Het gecamoufleerd afspreken van no cure no pay kan volgens dezelfde toelichting nog steeds onbetamelijk zijn. Daarin ligt de Nederlandse ruimte voor resultaatgerichte prijsafspraken: een vaste prijs, een plafond of een laag tarief dat bij succes wordt verhoogd, maar geen honorarium dat alleen bij succes verschuldigd is of dat uit een deel van de opbrengst bestaat.

Op 5 december 2025 ging het bij de Hoge Raad om een beding met een uurtarief en een korting die verviel als de werkgever van de cliënt de kosten vergoedde of een minnelijke regeling trof. Hij liet het oordeel in stand dat dit beding buiten de richtlijn oneerlijke bedingen viel, omdat erover afzonderlijk was onderhandeld (14). Het ging om een juridische dienstverlener, niet om een advocaat, en over het standaard uurtariefbeding van een advocaat zegt de uitspraak niets. Wel laat zij zien dat een afspraak over een laag en een hoog tarief waarover werkelijk is onderhandeld, buiten het regime voor oneerlijke bedingen kan vallen.

Duitsland: wettelijke tarieven, urenafspraken en een ondergrens in procedures

Duitsland heeft een ander uitgangspunt. De wettelijke vergoeding onder het Rechtsanwaltsvergütungsgesetz (RVG) hangt in de meeste zaken af van het financiële belang en de verrichte proceshandelingen, niet van de tijd. Een lagere vergoeding dan de wettelijke mag alleen worden afgesproken voor buitengerechtelijk werk en bepaalde incassoprocedures (15); daarbuiten verbiedt § 49b lid 1 van de Bundesrechtsanwaltsordnung (BRAO) het onderschrijden van de RVG-tarieven (16). In procedures kan een Duitse advocaat de tijdwinst van AI dus niet doorgeven door onder het wettelijke tarief te gaan zitten. Matthias Kilian, directeur van het Soldan Institut, betoogt dat de efficiënte advocaat de vruchten van zijn efficiëntie mag plukken, maar verwacht dat verzekeraars en andere kostendragers zullen aandringen op prijzen waarin de tijdwinst zichtbaar wordt (17). Succeshonoraria zijn verboden (§ 49b lid 2 BRAO), behalve in drie gevallen die het RVG noemt: geldvorderingen tot € 2.000, incasso, en zaken waarin de cliënt zonder zo'n afspraak redelijkerwijs van rechtsvervolging zou afzien.

Een uurtarief vereist een Vergütungsvereinbarung in tekstvorm, als zodanig aangeduid, duidelijk gescheiden van andere afspraken en met de mededeling dat de wederpartij bij kostenverhaal doorgaans niet meer dan de wettelijke vergoeding hoeft te betalen (§ 3a lid 1 RVG). Het Bundesgerichtshof (BGH) hanteert daarbij een strenge lijn. Wie per uur declareert, mag alleen de werkelijk bestede tijd rekenen, en een standaardbeding dat voor ieder begonnen kwartier een kwart van het uurtarief in rekening brengt, is tegenover consumenten ongeldig (18). De advocaat draagt de bewijslast voor de uren. Algemene omschrijvingen als dossierwerk, literatuuronderzoek of telefoongesprekken volstaan niet: hij moet concreet aangeven welke stukken hij heeft doorgenomen, welk processtuk hij heeft voorbereid en naar welke rechtsvraag hij onderzoek heeft gedaan (19). In dezelfde uitspraak legde het BGH het overeengekomen tarief uit als vergoeding voor het persoonlijke werk van de advocaten, waarin de inzet van ondersteunende juridische medewerkers al is begrepen. Voor zover bekend heeft geen rechter die redenering op AI toegepast, maar de analogie ligt voor de hand: wat de tool oplevert, valt onder wat het tarief van de advocaat al dekt en hoort niet op een tweede urenstaat.

Frankrijk: de convention d'honoraires en de honorariumrechter

In Frankrijk is een schriftelijke honorariumovereenkomst, de convention d'honoraires, verplicht, behalve bij spoed, overmacht en volledige rechtsbijstand. Zij vermeldt het bedrag of de berekeningswijze van het honorarium voor de voorzienbare werkzaamheden en de verwachte kosten en verschotten. Een honorarium dat uitsluitend van de uitkomst van de procedure afhangt, is verboden; een aanvullend resultaathonorarium bovenop een vergoeding voor het verrichte werk is toegestaan (20). De code de déontologie van 2023 verplicht de advocaat de cliënt regelmatig te informeren over het verloop van het honorarium en staat vaste en periodieke honoraria uitdrukkelijk toe (21). Tijd is daarbij één element, niet het geheel: de nationale beroepsregels noemen de bestede tijd als eerste, maar daarnaast het onderzoekswerk, de moeilijkheid van de zaak, het belang, de kantoorkosten, de ervaring en specialisatie van de advocaat, het resultaat en de verleende dienst (22). Daarop steunt de opvatting van de CNB dat AI het honorarium zowel kan verlagen als verhogen. In april 2026 herzag de CNB bovendien zijn modelovereenkomsten. Die bevatten nu een facultatieve clausule over AI-gebruik die niets over de prijs zegt, en het model op uurbasis voorziet in declaraties met een afgesproken frequentie, telkens vergezeld van een overzicht van het verrichte werk en de bestede tijd (23).

Geschillen over honoraria gaan naar de bâtonnier en daarna naar de premier président van het hof van beroep. De Cour de cassation houdt die rechter naar twee kanten kort. Zonder honorariumovereenkomst mag hij niet simpelweg de uren vermenigvuldigen met een gemiddeld uurtarief in het ressort, omdat dat geen wettelijk criterium is (24). Met of zonder overeenkomst mag hij het honorarium matigen, tenzij de cliënt het na de verleende dienst zowel naar grondslag als naar omvang heeft aanvaard (25). Voor werk met AI ligt de beste bescherming van de Franse advocaat daarom waar de CNB haar zoekt: in een overeenkomst die vooraf vastlegt hoe de prijs van het werk wordt bepaald.

Consumenten als cliënt: bij een uurtarief hoort inzicht in het totaal

Wat het Hof van Justitie besliste

Voor cliënten die consument zijn, legt het Unierecht een bodem onder iedere nationale regel. In de zaak D.V. (C-395/21, 12 januari 2023) had een Litouwse advocaat met een particuliere cliënt vijf overeenkomsten gesloten tegen € 100 per uur en vorderde zij € 9.900 (26). Het Hof van Justitie oordeelde dat een beding dat het honorarium van een advocaat per uur vastlegt, een kernbeding is en dus alleen buiten de toetsing op oneerlijkheid blijft als het duidelijk en begrijpelijk is. Een kaal uurtarief is dat niet. De consument moet vóór het sluiten van de overeenkomst informatie krijgen waarmee hij zijn beslissing met kennis van de economische gevolgen kan nemen, waaronder gegevens om de totale kosten bij benadering in te schatten. Het Hof noemt als voorbeelden een schatting van het te verwachten of minimale aantal uren voor een bepaalde dienst, of de toezegging om met redelijke tussenpozen facturen of periodieke overzichten te sturen met het aantal gewerkte uren.

Of het beding oneerlijk is, vergt vervolgens een afweging van alle omstandigheden, met de goede trouw en een aanzienlijke verstoring van het evenwicht als maatstaf; gebrek aan transparantie volstaat daarvoor alleen als het nationale recht dat uitdrukkelijk bepaalt. Is het beding oneerlijk en kan de overeenkomst zonder het beding niet blijven bestaan, dan verzet het Unierecht zich er niet tegen dat de advocaat niets ontvangt. Vervanging door een bepaling van aanvullend nationaal recht mag alleen als de consument door de ongeldigheid aan bijzonder nadelige gevolgen zou worden blootgesteld. Vervanging door een rechterlijke schatting van de beloning is niet toegestaan.

De Nederlandse rechtspraak: van nihil naar prijsvermindering, met uitschieters

Nederlandse rechters hebben het arrest veelvuldig toegepast, maar allerminst eenvormig. De eerste lijn kwam van de Amsterdamse kantonrechter. Die oordeelde op 10 november 2023 over een echtscheidingszaak waarin ongeveer € 15.000 was gedeclareerd, op basis van een opdrachtbevestiging die alleen vermeldde dat de kosten € 150 per uur exclusief btw bedroegen. De cliënt had geen enkele informatie gekregen over het te verwachten totale kostenplaatje, terwijl een advocaat op grond van regel 17 lid 2 en de toelichting vooraf een inschatting moet geven. Het beding was oneerlijk en werd vernietigd. Omdat een overeenkomst van opdracht met een beroepsbeoefenaar niet zonder loon kan bestaan, viel de hele overeenkomst weg. Omzetting in een redelijk loon op grond van art. 7:405 BW achtte de kantonrechter onvoldoende doeltreffend, evenredig en afschrikkend; de vordering tot betaling van het restant strandde (27). In een zaak die dezelfde dag werd beslist, met een tarief van € 195 per uur plus 6% kantoorkosten, werd het beding eveneens vernietigd. De kantonrechter wees daar wel € 4.392,30 toe, omdat de cliënt zelf had aangegeven dat bedrag redelijk te vinden: minder dan de helft van wat was gevorderd (28).

In december 2023 ging de Rechtbank Amsterdam een stap verder (29). De advocaat had € 250 per uur afgesproken, vrijwel maandelijks gedeclareerd met een urenspecificatie en mondeling gezegd dat de cliënt moest "rekenen op een ton". Zo'n globale raming, die geen maximum was en niet op schrift stond, stelde de cliënt volgens de rechtbank niet in staat de financiële gevolgen te overzien. Ook het maandelijks declareren was in haar ogen geen gelijkwaardig alternatief. De vordering werd geheel afgewezen en de advocaat werd bovendien in de proceskosten van de cliënt veroordeeld. In januari 2024 wees de Amsterdamse kantonrechter een vordering van € 2.127,55 af. Afgesproken was € 165 per uur, te vermeerderen met btw en 5% kantoorkosten, met maandelijkse facturering, maar in de eerste maand kunnen de kosten al zo hoog oplopen dat maandelijks factureren de transparantie onvoldoende herstelt (30). De Rechtbank Rotterdam dacht daar in december 2023 anders over. Volgens die rechtbank was maandelijks factureren voldoende, omdat de cliënt zo behoorlijk zicht hield op de omvang van de kosten en de snelheid waarmee die opliepen. Zij wees het volle honorarium toe (31).

De gerechtshoven hebben die lijn sindsdien genuanceerd, maar lopen daarbij niet in de pas. Bij het Hof Arnhem-Leeuwarden ging het in oktober 2024 om een letselschadezaak waarin tussentijds een gematigd uurtarief was gedeclareerd en het definitieve honorarium pas aan het einde zou worden vastgesteld. Het hof oordeelde dat het beding ondoorzichtig en oneerlijk was, liet de overeenkomst zonder het prijsbeding voortbestaan en wees het bedrag toe dat de cliënt zelf had verwacht te betalen: een minder radicale oplossing dan nihil, mits daarvan voor ondernemers nog voldoende afschrikkende werking uitgaat (32).

Het Hof Amsterdam koos in november 2024 een andere route (33). In uitdrukkelijke afwijking van twee eerdere arresten van hetzelfde hof oordeelde het dat de toezegging om maandelijks te declareren een uurtariefbeding niet transparant maakt. De advocaat had vooraf kunnen en moeten meedelen dat de totale kosten weliswaar niet in te schatten waren, maar wat "de orde van grootte van het totaal te declareren bedrag zou zijn (ging het om bijvoorbeeld € 5.000,-, € 10.000,- of € 50.000,-)", eventueel tot een bepaald moment, waarna een nieuwe schatting zou volgen. Oneerlijk was het beding echter niet. De advocaat mocht ervan uitgaan dat de cliënt ook bij een preciezere raming met het beding zou hebben ingestemd. En omdat geen wettelijke bepaling uurtarieven voor advocaten voorschrijft, bracht het beding de cliënt niet in een slechtere positie dan het Nederlandse recht. Wel verbond het hof een sanctie aan de schending van de precontractuele informatieplichten van art. 6:230m BW: aan de hand van de landelijke Richtlijn Sanctiemodel essentiële informatieplichten volgde een gedeeltelijke vernietiging die neerkwam op een vermindering van 25%. In juli 2025 paste hetzelfde hof bij vier voldoende ernstige schendingen een vermindering van 40% toe, en wees het incassokosten en contractuele rente af omdat de advocaat zijn algemene voorwaarden niet had overgelegd (34).

Het Hof 's-Hertogenbosch kwam in maart 2025 juist tot nietigheid (35). Het kantoor had € 215 per uur plus btw en 5% kantoorkosten afgesproken, een voorschotnota gestuurd en geschreven dat het voorschot bij de afwikkeling uiteraard zou worden terugbetaald als het de kosten overschreed. Zonder verdere informatie over de totale kosten wekte dat volgens het hof de indruk dat het totaal ongeveer gelijk zou zijn aan het voorschot. Het beding was oneerlijk, de overeenkomst kon zonder loon niet bestaan en was nietig, de vordering van het kantoor werd afgewezen en de cliënt kreeg de al betaalde € 1.410 terug.

Het Hof Den Haag ging in juli 2026 de andere kant op (36). Ook daar ontbrak een schatting vooraf en het hof ging ervan uit dat regel 17 was geschonden. Dat maakte het beding wel ondoorzichtig, maar nog niet oneerlijk. Het hof wees op een verschil met de Litouwse zaak: daar schreef het nationale recht voor dat ieder beding dat niet duidelijk en begrijpelijk is, als oneerlijk geldt, en die keuze heeft de Nederlandse wetgever niet gemaakt. Zaken waarin de consument op het verkeerde been was gezet, zoals die van het Bossche hof, onderscheidde het daarvan. Het kantoor kreeg het volledige honorarium van € 1.763,24 toegewezen, met incassokosten.

Op 30 september 2026 voegde de Rechtbank Amsterdam daar in eerste aanleg een derde route aan toe (37). Het beding was ondoorzichtig en oneerlijk en de hele overeenkomst van opdracht viel weg, maar het kantoor kreeg de waarde van zijn werk vergoed op grond van onverschuldigde betaling: door de vernietiging had het onverschuldigd gepresteerd en had het recht op ongedaanmaking. Die vergoeding verminderde de rechtbank, gelet op het oneerlijke beding, met 40%.

Het beeld is dus verdeeld: nihil en zelfs terugbetaling, het bedrag dat de cliënt zelf redelijk vond, een prijsvermindering van 25 of 40%, een vergoeding via onverschuldigde betaling minus 40%, of het volle honorarium. De Hoge Raad heeft de vraag voor advocaten niet beslecht. Tuchtrechtelijk is zij wel beantwoord: volgens het Hof van Discipline vereisen regel 17 en het arrest van het Hof van Justitie samen een schatting vooraf van de tijdsbesteding en de totale kosten, tenzij een toevoeging wordt verleend (2). Welke civiele lijn uiteindelijk ook standhoudt, dat is het uitgangspunt voor de praktijk.

Duitsland en Frankrijk: ondoorzichtig is nog niet ongeldig

De Duitse en Franse hoogste rechters zijn terughoudender. Het BGH oordeelde in september 2024 dat een standaard uurtariefbeding tegenover een consument niet al ongeldig is doordat de advocaat vooraf geen informatie gaf over de orde van grootte van het totaal en geen tussentijdse declaraties of urenoverzichten toezegde. De plicht van de advocaat om zijn werkzaamheden concreet en controleerbaar te specificeren en bij een geschil te bewijzen, compenseert volgens het BGH het gebrek aan inzicht van de cliënt (38). In maart 2026 casseerde de Cour de cassation een beslissing waarin een resultaatsbeding met een consument alleen wegens onduidelijkheid voor niet geschreven was gehouden: de rechter had geen aanzienlijke verstoring van het evenwicht ten nadele van de consument vastgesteld (39).

Wat AI daaraan toevoegt

AI maakt dit alles scherper. De twee waarborgen die het Hof van Justitie noemt, een schatting van de uren en een periodiek overzicht van de bestede uren, zijn precies wat een cliënt nodig heeft om te zien of de tijdwinst van AI in de declaratie terechtkomt. Een kantoor dat anders is gaan werken, maar nog rekent met de uren van zijn oude werkwijze, geeft een schatting waarvan het weet dat die er in een voorspelbare richting naast zit.

Vaste prijzen, plafonds en succeshonoraria: wat resultaatgerichte prijsafspraken in Europa kunnen inhouden

In het hierboven genoemde leveranciersonderzoek denkt 81% van de bedrijfsjuristen dat prijsafspraken op basis van resultaat het uurtarief binnen vijf jaar voorbijstreven (4). Met resultaatgerichte prijsafspraken bedoelen bedrijfsjuristen meestal dat zij betalen voor een omschreven resultaat in plaats van voor de uren die erin zitten. In Europa is dat toegestaan en vaak verstandig. Buiten smalle uitzonderingen valt daar echter niet onder: een honorarium dat alleen verschuldigd is als de zaak wordt gewonnen, of een aandeel in wat de cliënt binnenhaalt. Alle drie de stelsels houden die grens vast, ieder op eigen wijze, en AI verschuift haar niet. Binnen die grens zijn er genoeg zuivere manieren om de tijdwinst te delen:

Eén waarschuwing uit de Amerikaanse opinie geldt onverkort: een vaste prijs die is vastgesteld toen het werk twintig uur kostte, is niet vanzelf redelijk als het nu vier uur kost (8). In Europa wordt een vaste prijs meestal getoetst aan wat is afgesproken, maar een prijs die ongemerkt zijn verband met het werk heeft verloren, blijft het soort honorarium dat een rechter kan matigen: in Duitsland tot een passend bedrag, niet lager dan de wettelijke vergoeding (§ 3a lid 3 RVG) (15), in Frankrijk via de honorariumrechter (25). De maatstaf van de Nederlandse tuchtrechter, de verhouding tussen het gedeclareerde bedrag en het verrichte werk, past even goed op een vaste prijs als op een urendeclaratie (2).

Mogen de kosten van de AI-tool zelf aan de cliënt worden doorbelast?

Meestal niet als afzonderlijke post, tenzij dat vooraf is afgesproken. De Amerikaanse opinie onderscheidt tools die tot de gewone inrichting van een praktijk behoren, waarvan de kosten algemene kantoorkosten zijn, van een dienst van een derde die per gebruik voor het dossier van één cliënt wordt ingekocht. De werkelijke kosten van zo'n dienst mogen worden doorbelast, zonder opslag en met doorgifte van eventuele kortingen (8). Het Duitse honorariumrecht zegt het onomwonden: met de wettelijke tarieven worden ook de algemene kantoorkosten vergoed, en de lijst van vergoedbare onkosten bevat niets voor software of AI-licenties (41). Bij een urenafspraak oordeelde het BGH in 2024 dat een onkostenopslag van 5% van het honorarium ongeldig was, omdat die het uurtarief verhoogde zonder dat bleek dat met ieder gewerkt uur zulke onkosten gepaard gingen (38). Een vaste technologie-opslag als percentage van de uren staat in Duitsland bloot aan precies hetzelfde bezwaar.

In Nederland draait het om de afspraken vooraf. Regel 17 lid 2 eist duidelijke afspraken over de doorbelasting van kosten, en lid 4 een declaratie waaruit de cliënt eenvoudig kan opmaken wat honorarium is en wat verschotten zijn (11). Algemene kosten worden in de Nederlandse praktijk vaak doorbelast via een opslag voor kantoorkosten; in drie van de hierboven besproken zaken ging het om 5% of 6% bovenop het uurtarief (28) (30) (35). Voor een AI-licentie die het kantoor voor alle cliënten gebruikt, ligt het voor de hand die net zo te behandelen als andere algemene kosten: in het uurtarief of in de afgesproken kantoorkostenopslag, niet als nieuwe post. Wie daarnaast een dossiergebonden technologiepost in rekening wil brengen, neemt die op in de opdrachtbevestiging en moet kunnen laten zien dat het om een werkelijke, aan het dossier toe te rekenen uitgave gaat. De Duitse uitspraak over de opslag van 5% is geen Nederlands recht, maar zij laat zien welke vraag een cliënt kan stellen bij een opslag die meebeweegt met de uren in plaats van met de kosten.

In Frankrijk moet de convention d'honoraires de verwachte kosten en verschotten vermelden (20), en het model van de CNB voor een vaste prijs gaat ervan uit dat de lopende kosten van het kantoor in de prijs zijn begrepen (23). Het resultaat is in alle drie de landen vergelijkbaar: een tool die het kantoor voor iedereen gebruikt, is een algemene kostenpost, en een dossiergebonden uitgave kan worden doorbelast als dat vooraf is afgesproken.

Controleren is werk; leren werken met de tool niet

De tijd die een advocaat besteedt aan het controleren van een met AI opgesteld concept, is gewoon professioneel werk en kan als zodanig worden gedeclareerd. Het is ook de stap die voor cliënten het best zichtbaar moet zijn, omdat juist die stap het verschil maakt tussen een bruikbaar concept en een aansprakelijkheidsrisico. Een declaratie die geen tijd voor controle laat zien bij een stuk waarvan de cliënt weet dat AI eraan te pas kwam, roept de verkeerde vraag op.

Twee soorten tijd zijn lastiger te verantwoorden. De eerste is leertijd. De Amerikaanse opinie beschouwt de tijd om te leren werken met een tool die de advocaat ook voor andere cliënten gebruikt, als eigen kosten van het op peil houden van zijn deskundigheid (8). Dezelfde logica geldt in ieder stelsel dat het honorarium verbindt met de zaak van de cliënt. De tweede is het herstellen van fouten van de tool. De tijd die nodig is om vast te stellen dat een geciteerde uitspraak niet bestaat, is geen tijd waar de cliënt om heeft gevraagd. In de Amsterdamse zaak van augustus 2026 bracht de rechtbank de tijd die het onjuiste citaat de wederpartij en de rechtbank had gekost, juist in rekening bij de partij die het had opgenomen (7).

Wat de verliezende partij betaalt

Of de efficiëntie van AI doorwerkt in een proceskostenveroordeling, hangt af van de regels over kostenverhaal. Daarin wijken de drie stelsels sterk af van het Amerikaanse model, waarin de rechter redelijke uren vermenigvuldigt met een redelijk tarief. In Nederland wordt de partij die in het ongelijk wordt gesteld, in de kosten veroordeeld (art. 237 Rv). In gewone zaken worden die kosten begroot volgens het liquidatietarief: een puntenstelsel per proceshandeling, geen vergoeding per uur (42). Hoeveel tijd een kantoor werkelijk aan de zaak heeft besteed, doet daarbij weinig ter zake. In zaken over intellectuele eigendom vergoedt art. 1019h Rv de redelijke en evenredige kosten die werkelijk zijn gemaakt, zodat gespecificeerde uren daar wel worden beoordeeld, ook als AI eraan te pas kwam.

De uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland laat zien hoe een rechter kan reageren wanneer werk zichtbaar door een machine is gemaakt (1). De gemachtigde vorderde voor een taxatierapport twee uur tegen € 59 per uur plus btw, in totaal € 142,78. De meervoudige kamer achtte het niet aannemelijk dat bij het opstellen menselijke deskundigheid te pas was gekomen, "laat staan voor een tijdsbestek van twee uur", en ijkte de vergoeding van € 15 per rapport aan de kosten die gemeenten per object maken. Het is een uitspraak in eerste aanleg over WOZ-waarderingen, niet over een advocatenhonorarium, maar de redenering laat zich niet tot die feiten beperken.

In Duitsland krijgt de winnende partij de wettelijke tarieven vergoed, ongeacht wat zij haar advocaat werkelijk heeft betaald: § 91 lid 2 van de Zivilprozessordnung maakt de wettelijke honoraria en onkosten van de advocaat van de winnende partij in alle procedures verhaalbaar (43). Efficiëntie door AI verlaagt dus niet wat de verliezende partij betaalt. In Frankrijk kent de rechter op grond van artikel 700 van de Code de procédure civile een bedrag toe voor kosten die niet onder de dépens vallen, rekening houdend met de billijkheid of de economische positie van de verliezende partij. Dat is een discretionair bedrag, geen urenberekening.

Wat in de opdrachtbevestiging hoort

De meeste geschillen over AI en het honorarium zullen worden beslecht op basis van wat in de opdrachtbevestiging stond voordat het werk begon. Zes punten bestrijken wat de hierboven besproken regels en rechtspraak vragen:

  1. Hoe AI in het dossier wordt gebruikt. In algemene termen: voor welk soort werk, onder wiens toezicht, en dat een advocaat alles controleert wat het kantoor verlaat. De NOvA adviseert advocaten de cliënt om toestemming te vragen voor AI-gebruik in het dossier en cliënten te informeren over het AI-beleid (5). Ons artikel over toestemming van de cliënt voor AI-gebruik werkt dat verder uit.
  2. De grondslag van het honorarium. Uurtarief, vaste prijs per fase, plafond of een combinatie, zo geformuleerd dat de cliënt de afspraak op een concrete declaratie kan toepassen.
  3. Een schatting die past bij de huidige werkwijze. Het Hof van Discipline verlangt een schatting (2), en bij consumenten kan het recht op betaling ervan afhangen. Geef een orde van grootte, zo nodig per fase, zoals het Hof Amsterdam die omschreef (33), en spreek af wanneer de schatting wordt bijgesteld.
  4. Rapportage. Periodieke, gespecificeerde declaraties met de bestede uren, en bericht aan de cliënt zodra de schatting aanmerkelijk dreigt te worden overschreden, zoals regel 17 lid 3 voorschrijft (11). Maandelijks declareren alleen is bij een consument niet altijd genoeg.
  5. Technologiekosten. Ofwel de vermelding dat tools in het tarief of de kantoorkostenopslag zijn begrepen, ofwel een precieze omschrijving van een dossiergebonden post die tegen kostprijs wordt doorbelast.
  6. Hoe de tijdwinst wordt gedeeld. Moet de cliënt meer van de efficiëntie profiteren dan bij een urendeclaratie al vanzelf het geval is, zeg dan hoe: een lagere vaste prijs, een plafond of een evaluatiemoment na de eerste fase.

Tijdschrijven en de omschrijving op de declaratie

Bij een urenafspraak is de tijdschrijving het bewijs. Schrijf de werkelijk bestede tijd, inclusief de tijd voor het instrueren van de tool en het controleren van de uitkomst, en omschrijf het werk zo dat de cliënt het kan nagaan. Regel 17 lid 4 vraagt een periodieke en deugdelijk gespecificeerde declaratie onder opgave van tarief en tijdsbesteding (11). "Beoordeling en correctie eerste concept conclusie van antwoord; elf aangehaalde uitspraken aan de bron gecontroleerd" zegt een cliënt veel meer dan "opstellen processtuk", en het is ook het detailniveau dat het BGH eist: welke stukken, welk processtuk, welke rechtsvraag (19). De CNB laat in zijn model op uurbasis iedere declaratie vergezeld gaan van een overzicht van het verrichte werk en de bestede tijd (23). Schrijf niet de tijd die een taak zonder tool zou hebben gekost, en tel geen fictieve waardeopslag op bij een urenregel. Vindt het kantoor dat het werk meer waard is dan de uren, dan hoort dat in de opdrachtbevestiging voordat het werk begint, niet achteraf op de declaratie.

Prijsbeleid in acht besluiten

  1. In urenzaken wordt alleen werkelijk bestede tijd gedeclareerd, inclusief de controle van AI-output en exclusief de tijd om te leren werken met tools.
  2. Iedere schatting wordt opnieuw opgebouwd vanuit de huidige werkwijze van het kantoor, met AI en met de tijd voor controle.
  3. Iedere opdracht van een consument krijgt een schriftelijke schatting van de uren of de totale kosten, met periodieke rapportage.
  4. Vaste prijzen berusten op een schriftelijke omschrijving van het werk en worden herzien als een fase veel korter uitvalt dan verwacht.
  5. Geen honorarium dat alleen van het resultaat afhangt, behoudens de uitzonderingen; een resultaatelement alleen in de vorm die het toepasselijke stelsel toestaat, in Nederland een laag en een hoog tarief, waarbij het lage tarief kostendekkend is.
  6. Licenties zijn algemene kosten en lopen via het tarief of de afgesproken kantoorkostenopslag, tenzij vooraf een dossiergebonden post is afgesproken die tegen kostprijs wordt doorbelast; geen aparte AI-opslag als percentage van de uren.
  7. Urenomschrijvingen tonen de controle als afzonderlijke stap en presenteren AI-output nooit als werk dat zonder hulpmiddelen tot stand kwam.
  8. Iemand is verantwoordelijk voor het prijsbeleid. Een partner of commissie toetst dossiers waarin veel met AI wordt gewerkt op de vraag of het honorarium nog past bij het werk en de geleverde waarde.

Hoe dit aansluit op de manier waarop LexVera juridisch werk ondersteunt

Ieder prijsmodel hierboven hangt af van iets wat de cliënt niet rechtstreeks kan zien: of het werk achter de declaratie werkelijk is gecontroleerd. Een vaste prijs is alleen verantwoord als het kantoor kan voorspellen hoeveel tijd de controle kost, en een urendeclaratie overtuigt alleen als de geschreven controletijd ergens op berust. Daar is LexVera op ingericht. Bij onderzoek en documentanalyse in LexVera blijft iedere bewering verbonden met de bron of de passage in het stuk waarop zij steunt. De controlerende advocaat opent de bron in plaats van haar te zoeken, en de verantwoordelijke partner kan zien wat is gecontroleerd. Dat maakt de controle korter en, voor de prijs nog belangrijker, voorspelbaarder.

Het kantoor bepaalt welke prijs het voor zijn werk vraagt; LexVera stelt geen honoraria vast en doet daar geen voorstellen voor. Het platform ondersteunt de voorbereiding, en een bevoegde advocaat beslist wat advies, processtuk of declaratie wordt. Dat is ook de maatstaf in ons redactioneel beleid. Dossiermateriaal blijft in de omgeving die het kantoor zelf beheert en wordt niet gebruikt om modellen te trainen.

Veelgestelde vragen

Mag een advocaat de uren declareren die AI heeft bespaard?

Niet bij een urenafspraak. De American Bar Association, het Duitse Bundesgerichtshof en de Nederlandse Gedragsregels verbinden een uurtarief met de werkelijk bestede tijd; regel 17 vraagt een declaratie onder opgave van tarief en tijdsbesteding. Wie voor de waarde van het werk betaald wil worden in plaats van voor de tijd, moet vooraf een andere grondslag afspreken, zoals een vaste prijs per fase.

Is de tijd voor het controleren van AI-output declarabel?

Ja. Een met AI opgesteld concept beoordelen, de aangehaalde bronnen openen en feiten aan het dossier toetsen is gewoon professioneel werk en kan als zodanig worden gedeclareerd. De tijd om te leren werken met een tool die de advocaat voor alle cliënten gebruikt, is iets anders: die komt in het algemeen voor rekening van de advocaat zelf.

Mag een kantoor zijn AI-abonnement aan de cliënt doorbelasten?

Niet als afzonderlijke post, tenzij de cliënt daar vooraf mee heeft ingestemd; regel 17 eist duidelijke afspraken over de doorbelasting van kosten. Een tool die het hele kantoor gebruikt, is een algemene kostenpost die in het tarief of in de afgesproken kantoorkostenopslag thuishoort. Een dossiergebonden kostenpost per gebruik kan tegen kostprijs worden doorbelast als de opdrachtbevestiging daarin voorziet. In Duitsland oordeelde het Bundesgerichtshof in 2024 dat een onkostenopslag van 5% van het honorarium ongeldig was.

Kan de tijdwinst van AI via een succeshonorarium worden gedeeld?

Alleen binnen nauwe grenzen. Nederland, Duitsland en Frankrijk verbieden een honorarium dat uitsluitend van het resultaat afhangt, met beperkte uitzonderingen; in Nederland staat dat verbod in art. 7.7 van de Verordening op de advocatuur. Wel toegestaan zijn een vaste prijs of een plafond. In Nederland kan daarnaast een laag en een hoog tarief afhankelijk van de uitkomst worden afgesproken, mits het lage tarief kostendekkend is; in Frankrijk een aanvullend resultaathonorarium bovenop een vergoeding voor het verrichte werk.

Moet een advocaat een consument vooraf een schatting van de uren geven?

Ja. Het Hof van Justitie oordeelde in 2023 dat een kaal uurtarief in een overeenkomst met een consument niet transparant is zonder een schatting van de uren of een periodiek overzicht van de bestede uren. Het Hof van Discipline leidt uit regel 17 en dat arrest af dat een advocaat vooraf een schatting moet maken, tenzij een toevoeging wordt verleend. Nederlandse rechters hebben honoraria verlaagd of geheel afgewezen waar die schatting ontbrak. De Duitse en Franse hoogste rechters eisen meer dan ondoorzichtigheid voordat een honorariumbeding vervalt.

Verandert AI wat de verliezende partij aan proceskosten betaalt?

Meestal niet. In gewone Nederlandse zaken volgt de proceskostenveroordeling het liquidatietarief, een puntenstelsel per proceshandeling; Duitse rechters kennen de wettelijke vergoeding toe, ongeacht de bestede tijd, en Franse rechters een discretionair bedrag. De uitzondering is een vordering tot vergoeding van de werkelijke kosten, zoals in Nederlandse IE-zaken op grond van art. 1019h Rv: daar worden de opgegeven uren wel beoordeeld.

Bronnen en verantwoording

Dit artikel weerspiegelt wetgeving, rechterlijke en tuchtrechtelijke uitspraken, richtsnoeren van beroepsorganisaties en gepubliceerde onderzoeken zoals beschikbaar op 21 oktober 2026. Een deel van de aangehaalde uitspraken is gewezen in eerste aanleg en kan in hoger beroep anders uitvallen; onderzoeken die door leveranciers zijn gepubliceerd, zijn als zodanig aangeduid, en commentaar is als commentaar vermeld. De NOvA-website nummert de leden van regel 17 niet; zij worden hier geteld in de volgorde waarin ze staan, zoals ook de rechtspraak doet. Oudere Duitse uitspraken citeren het RVG soms in een eerdere nummering; de bepalingen worden hier aangehaald volgens de huidige nummering. Dit is algemene professionele informatie, geen advies over een concrete honorariumafspraak of een concreet geschil; ga de toepasselijke regels na in hun actuele versie.

  1. Rechtbank Noord-Holland 4 maart 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:2308
  2. Hof van Discipline 14 augustus 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:265
  3. Roy Strom, "Big Law AI Cost Savings Remain a Mystery as Billable Hours Jump", Bloomberg Law, 3 september 2026 (over de berichtgeving van de Financial Times en het kantorenonderzoek van Citi)
  4. Everlaw en Wakefield Research, In-House Innovation Report, persbericht van 20 oktober 2026 (onderzoek in opdracht van een softwareleverancier onder 300 Amerikaanse bedrijfsjuristen)
  5. Nederlandse orde van advocaten, Aanbevelingen AI in de advocatuur
  6. Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 27 juli 2026, ECLI:NL:TADRSHE:2026:93
  7. Rechtbank Amsterdam 12 augustus 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:8258
  8. American Bar Association, Formal Opinion 512, Generative Artificial Intelligence Tools, 29 juli 2024 (onderdeel over honoraria)
  9. Bundesrechtsanwaltskammer, Hinweise zum Einsatz von künstlicher Intelligenz (KI), december 2024
  10. Conseil national des barreaux, guide pratique La déontologie et l'intelligence artificielle, aangenomen op 12 en 13 maart 2026, eerste editie april 2026, p. 40
  11. Nederlandse orde van advocaten, Gedragsregels advocatuur 2018, regels 16 en 17 met toelichting
  12. Verordening op de advocatuur, artikelen 7.5, 7.7 en 7.8
  13. Raad van Discipline Den Haag 9 maart 2026, ECLI:NL:TADRSGR:2026:41
  14. Hoge Raad 5 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1856
  15. Rechtsanwaltsvergütungsgesetz, §§ 3a, 4 en 4a
  16. Bundesrechtsanwaltsordnung, § 49b
  17. Matthias Kilian, KI-assistierte Rechtsdienstleistungen und Vergütungsrecht, Anwaltsblatt, 10 februari 2025 (commentaar)
  18. Bundesgerichtshof, uitspraak van 13 februari 2020, IX ZR 140/19
  19. Bundesgerichtshof, uitspraak van 4 februari 2010, IX ZR 18/09, randnummers 77 tot en met 83
  20. Loi n° 71-1130 du 31 décembre 1971, artikel 10
  21. Décret n° 2023-552 du 30 juin 2023 portant code de déontologie des avocats, artikelen 10 tot en met 12
  22. Règlement intérieur national de la profession d'avocat, artikel 11 (geconsolideerde versie van 18 februari 2026)
  23. Conseil national des barreaux, herziene modellen van de convention d'honoraires, algemene vergadering van 10 april 2026
  24. Cour de cassation, 2e chambre civile, 9 maart 2023, n° 21-15.821
  25. Cour de cassation, 2e chambre civile, 22 januari 2026, n° 23-21.676
  26. Hof van Justitie EU 12 januari 2023, D.V. tegen M.A., C-395/21, ECLI:EU:C:2023:14 (persbericht nr. 10/23)
  27. Rechtbank Amsterdam 10 november 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:7264
  28. Rechtbank Amsterdam 10 november 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:7265
  29. Rechtbank Amsterdam 20 december 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:8253
  30. Rechtbank Amsterdam 19 januari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:151
  31. Rechtbank Rotterdam 1 december 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:11345
  32. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6225
  33. Gerechtshof Amsterdam 26 november 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:3269
  34. Gerechtshof Amsterdam 8 juli 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1765
  35. Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25 maart 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:822
  36. Gerechtshof Den Haag 14 juli 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2248
  37. Rechtbank Amsterdam 30 september 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:9276
  38. Bundesgerichtshof, uitspraak van 12 september 2024, IX ZR 65/23
  39. Cour de cassation, 2e chambre civile, 12 maart 2026, n° 24-15.851
  40. Cour de cassation, 2e chambre civile, 18 december 2025, n° 23-23.751
  41. Rechtsanwaltsvergütungsgesetz, bijlage 1 (Vergütungsverzeichnis), Vorbemerkung 7 en nrs. 7000 tot en met 7008
  42. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, artikelen 237 en 1019h
  43. Zivilprozessordnung, § 91