Verschoningsrecht en AI: is een gesprek met ChatGPT nog vertrouwelijk?
Op 12 juni 2026 stelde een rechter-commissaris in Rotterdam een proces-verbaal vast dat sindsdien in vrijwel iedere kantoorvergadering over AI wordt aangehaald. Een verdachte had ChatGPT gevraagd een bericht op te stellen dat kennelijk voor haar advocaat was bestemd. De gesprekken werden als niet-verschoningsgerechtigd aangemerkt en vrijgegeven aan het onderzoeksteam. Vier maanden eerder hadden twee Amerikaanse federale rechters binnen één week tegengestelde uitkomsten bereikt over precies dezelfde vraag, en had het Britse Upper Tribunal gewaarschuwd dat cliëntbrieven in een publieke AI-tool in het publieke domein belanden. Geen van deze beslissingen verandert het recht. Zij laten wel zien wat er gebeurt als een regel die voor mensen is geschreven, wordt toegepast op software die onthoudt wat haar wordt verteld.
Kort gezegd: het antwoord van een chatbot valt nooit onder het verschoningsrecht, omdat dat recht de relatie met een geheimhouder beschermt en niet de juridische inhoud van een tekst. Of informatie die al vertrouwelijk was dat blijft nadat zij in een AI-tool is ingevoerd, hangt van één feit af: stond de tool binnen of buiten de kring van geheimhouding? Een consumentenapp waarvan de voorwaarden opslag, training en verstrekking toestaan, staat erbuiten. Een tool die het kantoor beheert, onder een overeenkomst die de leverancier tot geheimhouding verplicht, beperkt tot wat nodig is en training verbiedt, kan erbinnen staan. Bijna alles wat een kantoor moet doen volgt uit dat onderscheid. En de meeste schade tot nu toe is aangericht door cliënten, niet door advocaten.
Drie vragen die als één vraag worden gesteld
"Is mijn AI-gesprek vertrouwelijk?" is de zoekopdracht. Daarachter gaan drie juridisch verschillende vragen schuil, en een kantoor dat ze in één adem beantwoordt, beantwoordt er minstens één verkeerd.
- Is het antwoord van de chatbot een verschoningsgerechtigd advies? Nee, in geen enkel rechtsstelsel dat hier aan de orde komt. Het verschoningsrecht bestaat omdat de wet het raadplegen van bepaalde beroepsbeoefenaren beschermt: mensen met een wettelijke geheimhoudingsplicht die tuchtrechtelijk kunnen worden aangesproken. Software voldoet aan geen van die voorwaarden, hoe goed het antwoord ook is.
- Doorbreekt het invoeren van vertrouwelijke informatie in een AI-tool de bescherming die zij al had? Dit is de vraag die de beslissingen van 2026 werkelijk hebben beslist, en het antwoord draait om vertrouwelijkheid. Is de informatie meegedeeld aan een partij buiten de beschermde kring, dan is de bescherming in gevaar. Staat de tool binnen die kring, dan niet.
- Schendt een advocaat zijn geheimhoudingsplicht door een AI-leverancier in te schakelen? Dit is een vraag over het eigen handelen van de advocaat onder de Advocatenwet, de gedragsregels en het tuchtrecht. Zij wordt beheerst door regels over ingeschakelde derden die al lang vóór generatieve AI bestonden, en die preciezer zijn dan de meeste kantoren aannemen.
De eerste vraag is eenvoudig. De tweede en de derde vergen het werk, en zij worden in Nederland, Duitsland, Frankrijk en de common law door verschillende regels beheerst. Hieronder eerst de beslissingen, dan het Europese kader, dan de maatregelen.
Wat de rechters in 2026 hebben beslist
Rotterdam: invoeren in ChatGPT is openbaarmaking
De Nederlandse beslissing is procedureel bescheiden en inhoudelijk het meest rechtstreeks. In het kader van een filtering op grond van artikel 98 Sv moest de rechter-commissaris beoordelen welke gegevens op de inbeslaggenomen telefoons en laptop van een verdachte als geheimhouderinformatie buiten het onderzoeksteam moesten blijven. De doorzoeking dateerde van juni 2025; de raadsman had aangegeven op welke verschoningsgerechtigden in de gegevens kon worden gestuit, en een geheimhoudermedewerker en gerechtsjuristen hadden zoektermen toegepast in de forensische omgeving. Bij de controle stuitten zij op gegevens waaruit bleek dat de beslagene met een prompt in ChatGPT een reactie had laten opstellen die kennelijk voor een verschoningsgerechtigde was bedoeld, en waarin de naam van die geheimhouder voorkwam (1).
De rechter-commissaris vertrok vanuit de grondslag van het verschoningsrecht: het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het belang dat eenieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking om bijstand en advies tot de betreffende beroepsbeoefenaren kan wenden. Een extern AI-systeem slaat zowel de ingevoerde als de gegenereerde informatie op en kan die vervolgens gebruiken, bijvoorbeeld voor het trainen van het model. Het invoeren van mogelijk verschoningsgerechtigde informatie in ChatGPT, alsmede het laten genereren van een tekst die voor een verschoningsgerechtigde is bestemd, kan daarom worden aangemerkt als het openbaar maken van die informatie. Daardoor wordt de vertrouwelijkheid doorbroken, verliest de informatie haar vertrouwelijke karakter en kan zij niet langer als verschoningsgerechtigd worden aangemerkt. De ChatGPT-gesprekken die de zoektermen eerder hadden gemarkeerd, werden als niet-verschoningsgerechtigd gelabeld en met de geschoonde dataset vrijgegeven aan het onderzoeksteam en het Openbaar Ministerie, onder de autorisatievoorwaarden van de forensische applicatie (1).
Een proces-verbaal van bevindingen van een rechter-commissaris bindt niemand buiten dat onderzoek. Het is niettemin de eerste gepubliceerde Nederlandse motivering op dit punt, het is gegeven binnen de uitgangspunten die de Hoge Raad op 12 maart 2024 formuleerde voor de omgang met geheimhouderinformatie in inbeslaggenomen digitale gegevens (2), en het gaat over het handelen van een verdachte, niet van een advocaat. Dat laatste is het patroon in alle vier de beslissingen.
Twee kanttekeningen zijn op hun plaats. De overweging ziet op de consumentenversie van ChatGPT, waarvan de rechter-commissaris aannam dat de aanbieder de invoer opslaat en mag gebruiken. Zij zegt niets over een omgeving waarin dat contractueel is uitgesloten. En de gesprekken waren het eigen werk van de verdachte: een concept voor een bericht aan de advocaat, niet het bericht zelf en niet het antwoord van de advocaat. Of het daadwerkelijk verzonden bericht en het antwoord daarop hun bescherming behouden, is een andere vraag, en het proces-verbaal beantwoordt die niet.
United States v. Heppner: een consumentenchatbot is een derde
Bradley Heppner, voormalig bestuursvoorzitter van een beursgenoteerde onderneming, werd op 28 oktober 2025 in New York in staat van beschuldiging gesteld. Nadat hij van het onderzoek op de hoogte was geraakt, gebruikte hij de consumentenversie van een bekende AI-assistent om de feiten en juridische vragen van zijn zaak uit te werken. Hij verwerkte daarin informatie van zijn advocaten en deelde de resulterende stukken vervolgens met hen. De FBI trof de stukken aan bij een doorzoeking. Rechter Rakoff oordeelde op 10 februari 2026 mondeling en op 17 februari schriftelijk dat het materiaal noch door het attorney-client privilege, noch door de work-product-bescherming werd gedekt (3).
De rechter gaf drie redenen. De assistent is geen advocaat, en het privilege vereist een vertrouwensrelatie met een beroepsbeoefenaar die zorgplichten heeft en tuchtrechtelijk kan worden aangesproken. De communicatie was niet vertrouwelijk, omdat het privacybeleid van de aanbieder gebruikers meedeelde dat invoer kon worden bewaard, voor training gebruikt en aan derden, waaronder overheidsinstanties, verstrekt. En de stukken waren niet gemaakt om advies van een advocaat te verkrijgen; de verdachte had ze uit eigen beweging opgesteld en pas daarna met zijn advocaten gedeeld. Om diezelfde laatste reden faalde ook het beroep op work product: de stukken waren niet door of in opdracht van de advocaat vervaardigd (3).
Wat de rechter niet zei, is minstens zo belangrijk. Hij oordeelde niet dat het gebruik van generatieve AI als zodanig het privilege doet vervallen. En hij liet, via de vaste Kovel-rechtspraak over hulppersonen van een advocaat, de mogelijkheid open dat een tool die in opdracht van de advocaat wordt gebruikt, onder voorwaarden die de vertrouwelijkheid bewaren, anders wordt beoordeeld. Commentatoren aan beide zijden van de oceaan lezen het oordeel als een oordeel over consumentenvoorwaarden, niet over technologie (4).
Warner v. Gilbarco: een hulpmiddel, geen persoon
Een week eerder, op 10 februari 2026, had de federale rechtbank in Michigan een uitkomst bereikt die daar op het eerste gezicht haaks op staat. Een werkneemster die zonder advocaat procedeerde, had erkend dat zij ChatGPT had gebruikt om juridische vragen te beantwoorden en processtukken op te stellen. De wederpartij vorderde afgifte van haar prompts en de antwoorden. De rechtbank wees dat af: de bescherming van work product gaat alleen verloren door mededeling aan de wederpartij of op een wijze die zo'n mededeling waarschijnlijk maakt, en een AI-platform is een hulpmiddel en geen persoon aan wie iets kan worden meegedeeld (5).
De twee beslissingen zijn met elkaar te rijmen, en juist die verzoening is voor een Nederlandse advocaat het nuttigst. Het attorney-client privilege gaat verloren door iedere mededeling buiten de vertrouwensrelatie. Work product gaat alleen verloren door mededeling aan de tegenpartij. Hetzelfde gesprek kan dus de ene bescherming verliezen en de andere behouden. De eigen procesvoorbereiding van een cliënt in een chatbot kan beschermd blijven; het advies van de advocaat dat de cliënt in datzelfde gesprek heeft geplakt, niet.
Het Upper Tribunal: cliëntbrieven in een publieke tool liggen in het publieke domein
In gevoegde vreemdelingenzaken, behandeld in oktober en november 2025 en gepubliceerd op 19 februari 2026, ging het Upper Tribunal vooral over verzonnen jurisprudentie uit AI-tools. Het voegde een passage over vertrouwelijkheid toe die sindsdien overal wordt geciteerd. Wie cliëntbrieven en beslissingen van het ministerie in een open AI-tool zoals ChatGPT invoert, plaatst die informatie op het internet in het publieke domein, en schendt daarmee de vertrouwelijkheid jegens de cliënt en doet het legal privilege vervallen. Een gereguleerde beroepsbeoefenaar die dat doet, behoort zijn toezichthouder te informeren en de Britse privacytoezichthouder te raadplegen. Het Tribunal stelde daar gesloten tools tegenover die informatie niet in het publieke domein brengen en die voor taken als samenvatten zonder die risico's beschikbaar zijn (6).
Britse praktijkjuristen hebben terecht de vraag opgeworpen of "publiek domein" de juiste juridische kwalificatie is van een invoer op de servers van een aanbieder. De boodschap overleeft die kritiek. Beide vormen van privilege naar Engels recht vereisen vertrouwelijkheid, en de waarschuwing is een uitspraak van een hoge rechter dat een publieke consumententool die niet levert.
Waarom de Nederlandse vraag anders ligt dan de Amerikaanse
Amerikaanse commentaren spreken van waiver: het privilege is een recht van de cliënt dat door onzorgvuldige mededeling verloren kan gaan. Ons stelsel is anders gebouwd. De bescherming komt primair toe aan de geheimhouder, heeft de vorm van een geheimhoudingsplicht met daaraan gekoppeld een verschoningsrecht en een beslagverbod, en strekt zich uit tot een omschreven kring van personen die de geheimhouder bijstaan. Daaruit volgen drie consequenties voor AI.
Ten eerste is de vraag of de eigen chatbotconcepten van een cliënt beschermd zijn, smaller dan in de Verenigde Staten. De bescherming ziet op wat aan de geheimhouder is toevertrouwd en op wat hij in die hoedanigheid onder zich heeft. Voorbereidende aantekeningen van de cliënt kunnen binnen de beschermde sfeer vallen wanneer zij met het oog op de consultatie zijn gemaakt, en de Rotterdamse beslissing laat zien dat een concept voor een bericht aan de advocaat in elk geval kandidaat was. Maar de cliënt heeft geen zelfstandig privilege op zijn eigen juridische redeneringen zoals de rechter in Michigan dat als work product erkende.
Ten tweede is voor een kantoor beslissend of de AI-leverancier binnen of buiten de kring valt van personen die de wet de geheimhouder toestaat in te schakelen. Dat is een kwestie van wet en overeenkomst, en het Nederlandse recht heeft haar in hoofdlijnen beantwoord.
- De geheimhoudingsplicht reikt verder dan de advocaat. Artikel 11a Advocatenwet verplicht de advocaat tot geheimhouding van al hetgeen waarvan hij uit hoofde van zijn beroepsuitoefening kennis neemt, en legt in dezelfde zin dezelfde verplichting op aan zijn medewerkers en personeel en aan andere personen die betrokken zijn bij de beroepsuitoefening (7). Gedragsregel 3 herhaalt de plicht. Of een AI-leverancier zo'n "andere persoon" is, is precies de vraag die de overeenkomst en de inrichting van het kantoor moeten beantwoorden.
- Het verschoningsrecht en het beslagverbod volgen de hoedanigheid. Artikel 218 Sv en artikel 165 lid 2 onder b Rv geven het recht om zich te verschonen van het afleggen van een getuigenis over wat in die hoedanigheid is toevertrouwd; artikel 98 Sv beperkt de inbeslagneming bij geheimhouders (8). De Hoge Raad heeft op 12 maart 2024 uitgangspunten geformuleerd voor de situatie waarin gegevens bij een aanbieder van communicatiediensten worden gevorderd: zodra een redelijk vermoeden bestaat dat zich daaronder geheimhouderinformatie bevindt, moet de rechter-commissaris worden ingeschakeld om die informatie uit te filteren (2). De Rotterdamse filtering is een toepassing van dat kader.
- Het afgeleid verschoningsrecht is de sleutel. Wie de advocaat bij zijn werk moet betrekken, deelt in diens verschoningsrecht voor wat hem in dat verband ter kennis komt. De Hoge Raad houdt die kring strak: het gaat om bijstand die de geheimhouder voor zijn eigen taak nodig heeft, niet om iedere dienstverlener die toevallig gegevens onder zich krijgt. Een AI-omgeving die het kantoor voor zijn juridische werk inzet, onder een overeenkomst die geheimhouding, doelbinding en een trainingsverbod vastlegt, past in die kring. Een gratis consumentenapp waarvan de aanbieder de invoer voor eigen doeleinden mag gebruiken, past er niet in.
Ten derde ligt de constitutionele ondergrens hoger dan in de Verenigde Staten. Het Hof van Justitie heeft in december 2022, in de zaak over de meldplicht voor advocaten onder DAC6, en opnieuw in september 2024, in de Luxemburgse zaak over fiscaal advies, geoordeeld dat artikel 7 van het Handvest de vertrouwelijkheid van het advies van een advocaat waarborgt, zowel wat het bestaan als wat de inhoud ervan betreft, en dat wie een advocaat raadpleegt redelijkerwijs mag verwachten dat die vertrouwelijkheid behoudens uitzonderlijke situaties wordt geëerbiedigd (9) (10). Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens rekent het beroepsgeheim van de advocaat sinds Michaud tegen Frankrijk tot de kern van het recht op eerbiediging van privéleven en correspondentie (11). En de beperking uit Akzo Nobel van het privilege in Europese mededingingszaken tot onafhankelijke advocaten herinnert eraan dat de bescherming de hoedanigheid van de mens volgt, en dus nooit die van software (12).
Voor de goede orde: Duitsland en Frankrijk kennen hetzelfde model. Het Duitse recht regelt in § 43e van de Bundesrechtsanwaltsordnung in detail wat de overeenkomst met een dienstverlener moet bevatten, en stelt in § 203 van het Strafgesetzbuch de onbevoegde openbaarmaking strafbaar, sinds 2017 ook voor de hulppersonen zelf. De Duitse orde heeft dat kader in haar AI-handreiking van december 2024 op taalmodellen toegepast: waar mogelijk alleen abstracte prompts, volledige anonimisering vóór een upload, en de vaststelling dat het weghalen van namen niet volstaat als de zaak uit de context is af te leiden (13). In Frankrijk verklaart artikel 66-5 van de wet van 31 december 1971 alle stukken van het dossier onder het beroepsgeheim te vallen, en heeft de Conseil national des barreaux op 17 maart 2026 een deontologische gids over AI aangenomen die vraagt geen cliënt- of dossiergegevens aan een generatieve AI-tool te verstrekken (14). Wie in grensoverschrijdende zaken werkt, komt die maatstaven tegen.
Wat de voorwaarden van de tool werkelijk zeggen
Iedere beslissing hierboven steunt op één feitelijke aanname: de tool slaat op wat haar wordt verteld en mag dat gebruiken of verstrekken. Die aanname moet aan de geldende voorwaarden worden getoetst en niet worden verondersteld, want de voorwaarden verschillen sterk tussen consumenten- en zakelijke varianten en zij veranderen.
De grootste consumentenassistent gebruikt de inhoud van gratis en individuele betaalde abonnementen om zijn modellen te verbeteren, tenzij de gebruiker dat in de instellingen uitzet, en verklaart dat zijn zakelijke, enterprise- en API-producten standaard niet voor training worden gebruikt (15). Een andere grote aanbieder kondigde op 28 augustus 2025 aan dat gebruikers van consumentenabonnementen wordt gevraagd te kiezen of hun gesprekken voor training mogen worden gebruikt, met een bewaartermijn van vijf jaar voor wie instemt en dertig dagen voor wie dat niet doet, terwijl de zakelijke, enterprise-, API- en overheidsvarianten buiten die regeling vallen (16). Verwijderde consumentengesprekken worden doorgaans binnen dertig dagen gewist, maar een procedure kan daar doorheen lopen: in de auteursrechtzaak tegen de grootste aanbieder bevestigde een federale rechter in New York op 5 januari 2026 een bevel tot afgifte van een steekproef van twintig miljoen gepseudonimiseerde consumentengesprekken aan de eisers, en een eerder bewaarbevel had de routinematige verwijdering in 2025 maandenlang opgeschort (17).
De les is niet dat de ene aanbieder veilig is en de andere niet. De les is dat de beoordeling van de vertrouwelijkheid afhangt van de variant, de instellingen, de overeenkomst en de procespositie van de aanbieder op het moment van gebruik, en dat een kantoor dat die feiten niet voor iedere gebruikte tool kan benoemen, ook niet kan zeggen of de kring van geheimhouding gesloten is gebleven.
Het probleem aan de kant van de cliënt, en een nieuwe intakeplicht
Lees de vier beslissingen nog eens en één feit springt eruit. In Rotterdam, New York en Michigan was het de cliënt of de verdachte die materiaal in een chatbot invoerde, niet de advocaat. In Londen ging het om een gemachtigde, maar het beschreven risico was algemeen. Het grootste risico voor een kantoor in 2026 zit dus niet in de eigen tools. Het zit in een cliënt die tussen het ontvangen van een advies en de volgende bespreking dat advies in een gratis assistent plakt om het te begrijpen, om een antwoord op te stellen of om te controleren of de advocaat gelijk heeft.
Dat gedrag is begrijpelijk, het komt veel voor, en de opdrachtbevestiging van de meeste kantoren zegt er niets over. Drie maatregelen zijn proportioneel.
- Zeg het bij de intake, schriftelijk. Een korte alinea in de opdrachtbevestiging of in de eerste adviesmail, waarin staat dat adviezen en correspondentie niet in publieke AI-tools mogen worden ingevoerd en waarom, kost niets en verandert gedrag. In straf- en toezichtzaken, waar beslag een reëel vooruitzicht is, zegt u het ook mondeling.
- Bied een alternatief. Cliënten gebruiken chatbots omdat zij willen begrijpen. Een advocaat die zijn advies in gewone taal toelicht, of aanbiedt vragen per bericht te beantwoorden, neemt de prikkel weg. Beschikt het kantoor over een beheerde AI-omgeving, dan kan de cliënt in geschikte zaken daarbinnen werken.
- Gaat de cliënt toch AI gebruiken, geef dan de opdracht. In de Amerikaanse zaken zat het verschil tussen de stukken van Heppner en beschermde stukken in de opdracht van de advocaat. Een schriftelijke instructie van de advocaat om, ten behoeve van diens advies en met een door het kantoor goedgekeurde tool, een chronologie of een vragenlijst op te stellen, is de constructie die het materiaal binnen de relatie houdt. Zij houdt het ook in ons stelsel binnen de beschermde sfeer, omdat het werk van de cliënt daarmee onderdeel van de consultatie wordt.
Zeven maatregelen voor het eigen gebruik van het kantoor
De maatregelen hieronder zijn ontleend aan de Duitse wettelijke regeling, de meest gedetailleerde in Europa, en zij voldoen ook aan de Nederlandse en Franse eisen. Zij lopen van de beslissing die een kantoor eenmaal neemt tot de gewoonten die het dagelijks moet onderhouden.
1. Deel tools in drie categorieën in, en benoem welke tool waar hoort
Publieke consumententools, waarvan de voorwaarden opslag, training of verstrekking toestaan. Zakelijke varianten van algemene tools, waar training standaard uitstaat maar waar de overeenkomst, de opslaglocatie en de bewaartermijn nog moeten worden geverifieerd. Door het kantoor beheerde tools, ingekocht voor juridisch werk onder een overeenkomst die aan de wettelijke maatstaf voldoet. Tot de cliënt herleidbaar materiaal blijft beperkt tot de derde categorie. Geanonimiseerd of abstract werk mag in de tweede. In de eerste hoort niets wat een cliënt betreft, ook niet het feit dat er een opdracht is.
2. Contracteer overal naar de maatstaf van § 43e BRAO
Of het Duitse recht van toepassing is of niet, de lijst is goed: een geheimhoudingsverklaring van de leverancier, doelbinding, een verbod om met de gegevens van het kantoor te trainen, opgave van subverwerkers met dezelfde verplichtingen, verwijdering op verzoek en bij het einde van de overeenkomst, opslag in de EU of een gelijkwaardig beschermingsniveau, en melding van ieder verzoek van een autoriteit. Een leverancier die die voorwaarden niet wil tekenen, heeft het kantoor verteld in welke categorie hij thuishoort. Onze checklist voor leveranciersonderzoek behandelt de commerciële kant van dezelfde oefening.
3. Beperk wat erin gaat
Het punt van de Duitse orde verdient herhaling, omdat kantoren het juist daar het vaakst mis hebben: het weghalen van namen en adressen is geen anonimisering wanneer de zaak uit de feiten is te reconstrueren. Een abstract geformuleerde rechtsvraag is in de meeste tools veilig. Een beschrijving van de transactie van de cliënt met andere namen is dat meestal niet. Behandel de hele prompt als een stuk dat ooit kan worden overgelegd, want in de zaak Heppner gebeurde precies dat.
4. Houd bij wat is gebruikt
Een registratie per dossier van welke tool is gebruikt, onder welk account, met welk doel en met welke categorie invoer, stelt een kantoor in staat een rechter of toezichthouder in één zin te antwoorden. Zij stelt het kantoor ook in staat aan te tonen dat het gebruik in opdracht en onder verantwoordelijkheid van de advocaat plaatsvond. De discipline uit onze checklist voor een AI-audittrail is hier rechtstreeks van toepassing.
5. Houd meeluisterende tools buiten vertrouwelijke kanalen
De stille toegang tot de kring van geheimhouding loopt niet via het chatvenster. Zij loopt via de vergaderassistent die aan ieder gesprek deelneemt, de transcriptiebot in het videoplatform van de cliënt, de browserextensie die iedere pagina leest, en de kantoorbrede assistent die iedere mailbox indexeert waartoe hij toegang krijgt. Elk daarvan is een derde die aanwezig is in een vertrouwelijk gesprek of een vertrouwelijk dossier, en elk daarvan heeft dezelfde indeling en dezelfde overeenkomst nodig. Een opname van een cliëntbespreking, gemaakt door een assistent die de werkgever van de cliënt beheert, kan bij die werkgever opvraagbaar zijn.
6. Wees voorbereid op beslag en afgifte
De Rotterdamse filtering duurde een jaar en hing ervan af dat de verdediging precies kon aangeven welke geheimhouders in de gegevens konden voorkomen en met welke zoektermen zij te vinden waren. Een kantoor moet zijn geheimhouderinformatie in de eigen systemen op dezelfde manier kunnen aanwijzen: per dossier, per correspondent en per tool. Waar een AI-omgeving dossiermateriaal bevat, moet het kantoor weten hoe het dat exporteert, hoe het aantoont wat erin zit en hoe het laat zien dat de leverancier er nooit voor een ander doel bij kon.
7. Train, en herlees de voorwaarden twee keer per jaar
Artikel 4 van de AI-verordening verplicht het kantoor al om te zorgen voor voldoende AI-geletterdheid bij wie deze tools gebruikt, en vertrouwelijkheid is het onderdeel dat het meest rechtstreeks aan het tuchtrecht raakt. De training moet de voorwaarden van de tools in de tweede categorie omvatten, omdat die zonder aankondiging veranderen, en de datum van de laatste controle moet worden vastgelegd. Onze gids over AI-geletterdheid onder artikel 4 beschrijft een programma per rol. De aanbevelingen van de NOvA vragen bovendien om een kantoorbreed AI-beleid en om het informeren van cliënten daarover (19), en de technische gids van de CCBE van maart 2026 rekent het begrijpen van de gegevensverwerking van een tool tot de competentie die de beroepsgroep inmiddels verwacht (18).
Als het al is gebeurd
Vroeg of laat verneemt een kantoor dat een stagiair, een cliënt of een medebehandelaar iets vertrouwelijks in een publieke tool heeft ingevoerd. De reactie kent vier stappen, en de volgorde doet ertoe.
- Stel de feiten vast. Wat is precies ingevoerd, vanuit welk account, in welke variant, met welke instellingen en wanneer. Exporteer het gesprek voordat iets wordt verwijderd, want het eigen verslag van het incident kan later nodig zijn.
- Beperk de schade. Verwijder het gesprek, zet trainings- en geheugeninstellingen uit en dien, waar de variant dat toelaat, een verwijderingsverzoek in bij de aanbieder; bewaar de bevestiging. Verwijdering maakt een openbaarmaking niet ongedaan, maar beperkt hoe lang het materiaal buiten de kring bestaat.
- Beoordeel de rechtspositie eerlijk. Ging het om communicatie met de advocaat, om eigen voorbereiding van de cliënt of om werk van de advocaat? Is een beroep op het verschoningsrecht nog verdedigbaar, bijvoorbeeld omdat de invoer een hulpmiddel betrof en geen wederpartij, of omdat de leverancier contractueel gebonden is? Is er sprake van een datalek dat binnen 72 uur bij de Autoriteit Persoonsgegevens moet worden gemeld?
- Informeer de cliënt, en waar nodig de deken. De vertrouwelijkheid van de cliënt is geraakt en de cliënt heeft er recht op dat te weten. Gedragsregel 3 en het tuchtrecht beheersen de vervolgvraag, en een snelle, gedocumenteerde reactie is de beste beschikbare verzachtende omstandigheid.
Hoe dit aansluit op de manier waarop LexVera juridisch werk ondersteunt
Iedere beslissing hierboven gaat uiteindelijk over hetzelfde: wie stond binnen de kring van geheimhouding toen het materiaal werd behandeld, en kon de advocaat dat aantonen? Dat is een vraag van beroepsinrichting voordat het een vraag van technologie is, en het is de vraag waarvoor LexVera is gebouwd.
Het platform wordt aan het kantoor geleverd, voor eigen gebruik door het kantoor, onder voorwaarden die het plaatsen bij de personen die een kantoor bij zijn beroepsuitoefening mag betrekken: gebonden aan geheimhouding, beperkt tot het doel van het juridische werk van het kantoor, zonder recht om dossiermateriaal voor het trainen van modellen te gebruiken, en met verwijdering op instructie. Dossiermateriaal blijft binnen de context die het kantoor ervoor heeft goedgekeurd, zodat de vraag die een deken of een rechter-commissaris zou stellen een antwoord heeft in een overeenkomst en een inrichting, en niet in een privacybeleid dat voor consumenten is geschreven. De analyse blijft verbonden met het materiaal waaruit zij voortkomt, zodat een advocaat van een zin in een memo terug kan naar de passage of de bron die haar draagt, in plaats van vlotte tekst op vertrouwen aan te nemen. En een bevoegde advocaat beslist wat advies, correspondentie of processtuk wordt; daar legt iedere hier besproken beroepsregel de verantwoordelijkheid. Hetzelfde onderscheid tussen gebronde feiten, professionele duiding en productcontext ligt ten grondslag aan ons redactioneel beleid.
Veelgestelde vragen
Valt een gesprek met een chatbot onder het verschoningsrecht?
Nee. Het verschoningsrecht beschermt het raadplegen van een beroepsbeoefenaar met een wettelijke geheimhoudingsplicht die tuchtrechtelijk kan worden aangesproken. Een chatbot voldoet aan geen van die voorwaarden, dus zijn antwoorden zijn in geen enkel hier besproken stelsel verschoningsgerechtigd advies, hoe juist zij ook zijn.
Als een cliënt mijn advies in een publieke AI-tool plakt, blijft dat advies dan vertrouwelijk?
Dat loopt reëel gevaar. De Rotterdamse rechter-commissaris merkte het invoeren in ChatGPT aan als openbaarmaking die de vertrouwelijkheid doorbreekt; de rechter in New York zag geen vertrouwelijkheid omdat de consumentenvoorwaarden opslag, training en verstrekking toelieten; het Upper Tribunal noemde het uploaden van cliëntbrieven in een publieke tool een schending van de vertrouwelijkheid. Waarschuw cliënten bij de intake en bied hun een betere route om het advies te begrijpen.
Schend ik mijn geheimhoudingsplicht door een AI-tool te gebruiken?
Niet als de tool binnen de kring valt die de wet kent. Artikel 11a Advocatenwet legt de plicht ook op andere personen die bij de beroepsuitoefening betrokken zijn, en het afgeleid verschoningsrecht volgt wie de advocaat voor zijn werk nodig heeft. De toets is of de leverancier gebonden is, beperkt tot wat nodig is, niet mag trainen en kan wissen. Niet of er software aan te pas kwam.
Wat is het verschil tussen Heppner en Gilbarco?
Verschillende beschermingen met verschillende verliesregels. Het attorney-client privilege gaat verloren door mededeling buiten de vertrouwensrelatie; work product alleen door mededeling aan de wederpartij of op een wijze die dat waarschijnlijk maakt. De rechter in Michigan zag de chatbot als hulpmiddel, zodat de eigen voorbereiding van de procespartij beschermd bleef. De rechter in New York zag de consumentenaanbieder als derde, zodat adviesgerelateerde stukken hun bescherming verloren.
Zijn zakelijke tools ook juridisch veiliger, en niet alleen in de praktijk?
De motiveringen tot nu toe wijzen daarop, al heeft geen rechter het beslist. Rotterdam en Heppner steunen op het feit dat de aanbieder de invoer opslaat en mag gebruiken, en het Upper Tribunal stelde publieke tools tegenover gesloten tools die informatie buiten het publieke domein houden. § 43e BRAO en de Duitse handreiking beschrijven wat de overeenkomst moet bevatten om een leverancier tot toegestane hulppersoon te maken.
Ligt het anders in strafzaken?
De regels zijn dezelfde, maar de inzet is hoger, omdat beslag reëel is en de filtering van inbeslaggenomen gegevens precies de plaats is waar de Rotterdamse beslissing ontstond. Waarschuw de cliënt in straf- en toezichtzaken ook mondeling, en zorg dat de verdediging haar geheimhouderinformatie nauwkeurig kan aanwijzen als een apparaat wordt meegenomen.
Wat doen we als het al is gebeurd?
Stel precies vast wat waar is ingevoerd, verwijder en verzoek om verwijdering, leg het incident vast, beoordeel of het materiaal communicatie met de advocaat was of eigen werk van de cliënt en of enige bescherming overeind blijft, ga na of een melding aan de Autoriteit Persoonsgegevens verschuldigd is, en informeer de cliënt.
Bronnen en verantwoording
Deze gids weerspiegelt rechterlijke beslissingen, wetgeving, richtsnoeren van beroepsorganisaties en leveranciersvoorwaarden zoals beschikbaar op 10 september 2026. Zij onderscheidt bindende beslissingen van richtsnoeren en van documentatie van aanbieders, en vat nationaal recht samen op het niveau van uitgangspunten. Het is algemene professionele informatie en geen advies in een concrete zaak; de toepasselijke wet, rechtspraak en gedragsregels moeten in context worden nagegaan, en leveranciersvoorwaarden moeten worden gelezen in de versie die op het moment van gebruik geldt.
- Rechtbank Rotterdam (rechter-commissaris), 12 juni 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:9319
- Hoge Raad, 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375, uitgangspunten voor geheimhouderinformatie in gevorderde en inbeslaggenomen digitale gegevens
- United States v. Heppner, No. 25 Cr. 503 (JSR) (S.D.N.Y. 17 februari 2026), besproken in de Harvard Law Review Blog, maart 2026
- Venable LLP, AI, privilege and the Heppner ruling: what the court actually held, februari 2026
- Warner v. Gilbarco, Inc. (E.D. Mich. 10 februari 2026), besproken door Proskauer Rose LLP
- UK and Munir v Secretary of State for the Home Department (AI hallucinations; supervision; Hamid) [2026] UKUT 81 (IAC), overwegingen 21 en 60
- Advocatenwet, artikel 11a
- Wetboek van Strafvordering, artikelen 98 en 218
- HvJ EU 8 december 2022, C-694/20, Orde van Vlaamse Balies e.a.
- HvJ EU 26 september 2024, C-432/23, Ordre des avocats du barreau de Luxembourg
- EHRM 6 december 2012, Michaud tegen Frankrijk, nr. 12323/11
- HvJ EU 14 september 2010, C-550/07 P, Akzo Nobel Chemicals en Akcros Chemicals tegen Commissie
- Bundesrechtsanwaltskammer, Hinweise zum Einsatz von künstlicher Intelligenz, stand december 2024, met § 43e BRAO en § 203 StGB
- Conseil national des barreaux, Guide déontologie et intelligence artificielle, aangenomen op 17 maart 2026, met artikel 66-5 van de wet van 31 december 1971
- OpenAI, How your data is used to improve model performance
- Anthropic, Updates to consumer terms and privacy policy, 28 augustus 2025
- In re OpenAI copyright litigation (S.D.N.Y.), beslissing van 5 januari 2026 over de afgifte van twintig miljoen gepseudonimiseerde gesprekken, besproken in The National Law Review
- CCBE, Technical guide on the use of AI tools and models by lawyers, 27 maart 2026
- Nederlandse orde van advocaten, Aanbevelingen AI in de advocatuur