Software en AI als product: de nieuwe productaansprakelijkheid vanaf 9 december 2026
Op 9 december 2026 verandert het productaansprakelijkheidsrecht ingrijpend. Richtlijn (EU) 2024/2853 vervangt de richtlijn uit 1985 en geldt voor producten die na 8 december 2026 in de handel zijn gebracht of in gebruik zijn gesteld (1) (2). Software is dan uitdrukkelijk een product, ook als zij via de cloud of als dienst wordt geleverd en ook als het om een AI-systeem gaat. Nederland zet de richtlijn om met wetsvoorstel 36906, dat afdeling 6.3.3 BW grotendeels herschrijft (3). De Tweede Kamer nam het voorstel op 15 oktober 2026 als hamerstuk aan; de Eerste Kamer kan het op 10 november afdoen (4) (5).
Voor advocaten raakt dit drie kanten van de praktijk: het advies aan cliënten die software of AI ontwikkelen, integreren, importeren, verkopen of hosten; procedures over schade door zulke producten; en de eigen positie van kantoren die AI-tools inkopen en soms zelf een tool aan cliënten aanbieden. Op Europees niveau rust de aansprakelijkheid voor AI bovendien op deze richtlijn: het voorstel voor een afzonderlijke richtlijn over buitencontractuele aansprakelijkheid voor artificiële intelligentie heeft de Commissie in oktober 2025 formeel ingetrokken (6). Duitsland heeft zijn nieuwe Produkthaftungsgesetz al door Bundestag en Bundesrat geloodst; in Frankrijk hebben wij nog geen wetsvoorstel aangetroffen.
Veel commentaar wekt de indruk dat voortaan iedere softwarefout tot schadevergoeding leidt. Dat klopt niet: alleen natuurlijke personen kunnen vorderen, de lijst van vergoedbare schade is kort, zuivere vermogensschade staat er niet op en informatie is geen product. Wat wel wezenlijk verandert, is de bewijspositie van de benadeelde.
Kort gezegd: voor producten die vanaf 9 december 2026 in de handel worden gebracht of in gebruik worden gesteld, geldt volgens wetsvoorstel 36906 een nieuwe afdeling 6.3.3 BW; voor oudere producten blijft het huidige recht gelden. Software is een product, ook als SaaS of als AI-systeem, behalve gratis en opensourcesoftware buiten een handelsactiviteit. Alleen natuurlijke personen kunnen vorderen, en alleen voor overlijden, lichamelijk of geestelijk letsel, schade aan andere zaken dan het product zelf die niet uitsluitend beroepsmatig worden gebruikt en vernietiging of corruptie van niet voor beroepsdoeleinden gebruikte gegevens. Zuivere vermogensschade valt erbuiten. Informatie is geen product; of onjuiste AI-output een gebrek van de software kan zijn, is niet beslist. De benadeelde kan toegang tot bewijsmateriaal vorderen (art. 194 en 195 Rv) en steunen op wettelijke vermoedens. Tegenover hem kan de aansprakelijkheid niet worden uitgesloten of beperkt, en de franchise van € 500 vervalt. Vraagt geen lid van de Eerste Kamer uiterlijk 3 november 2026 om schriftelijke voorbereiding, dan volgt op 10 november een hamerstuk.
Wetsvoorstel 36906: waar het staat en wat het wijzigt
Van indiening tot hamerstuk
Het voorstel, de Implementatiewet richtlijn herziening productaansprakelijkheid, wijzigt de Boeken 6 en 7 BW en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek (3). De Afdeling advisering van de Raad van State had in haar advies van 3 december 2025 geen opmerkingen (7). De stukken nrs. 1 tot en met 4 dateren van 18 februari 2026; de Tweede Kamer registreerde de indiening op 2 maart (4). Na het verslag van 15 april en de nota naar aanleiding van het verslag van 3 september nam de Tweede Kamer het voorstel op 15 oktober 2026 zonder stemming aan.
In de Eerste Kamer brengt de commissie voor Justitie en Veiligheid blanco verslag uit, tenzij een van de leden uiterlijk 3 november 2026 kenbaar maakt schriftelijke voorbereiding te wensen; het voorstel wordt dan op 10 november 2026 als hamerstuk afgedaan (5). Het voorstel is dus nog geen wet. De wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip (art. IV). Omdat de richtlijn dwingend voorschrijft dat de regels vanaf 9 december 2026 worden toegepast, wijkt de regering af van de vaste verandermomenten (8).
Wat er nu in de wet staat
Het geldende recht zet de richtlijn uit 1985 om (9). De producent is aansprakelijk voor "de schade veroorzaakt door een gebrek in zijn produkt" (art. 6:185 lid 1 BW). Product is een roerende zaak, ook nadat deze een bestanddeel van een andere zaak is gaan vormen, alsmede elektriciteit (art. 6:187 lid 1 BW); software wordt niet genoemd. Zaakschade wordt alleen vergoed voor zaken die gewoonlijk voor de privésfeer zijn bestemd en hoofdzakelijk privé zijn gebruikt, en dan "met toepassing van een franchise ten belope van € 500" (art. 6:190 lid 1 sub b BW). Het recht op schadevergoeding vervalt tien jaar nadat de producent de zaak in het verkeer heeft gebracht (art. 6:191 lid 2 BW).
De nieuwe afdeling 6.3.3 BW in vogelvlucht
Het voorstel houdt de bestaande opzet aan en volgt de tekst van de richtlijn waar dat nodig is (8). Het opschrift wordt "Productaansprakelijkheid" en de producent heet voortaan marktdeelnemer.
- Art. 6:184a (nieuw): de definities uit art. 4 van de richtlijn, met in lid 2 de zeggenschap van de fabrikant en in lid 3 onder meer de uitsluiting van gratis en opensourcesoftware buiten een handelsactiviteit (3).
- Art. 6:185 tot en met 6:188: de aansprakelijkheid van de marktdeelnemer "voor de schade van natuurlijke personen veroorzaakt door een gebrekkig product", het gebrek, de kring van aansprakelijken en de bewijslast, nu met weerlegbare vermoedens.
- Art. 6:190: een uitputtende lijst van schadesoorten, zonder franchise.
- Art. 6:191 en 6:191a (nieuw): verjaring na drie jaar, verval na tien jaar of, bij latent lichamelijk letsel, na 25 jaar.
- Art. 6:193: de benadeelde behoudt zijn rechten en vorderingen "op andere gronden dan het gebrek van het product bedoeld in deze afdeling".
Buiten de afdeling wordt de kanalisatie bij de aansprakelijkheid van de bezitter van een gebrekkige roerende zaak aangepast (art. 6:173 lid 2 BW), vervalt de franchise-uitzondering in art. 7:24 lid 2 sub c BW, en verdwijnt uit art. 6:197 BW, de Tijdelijke regeling verhaalsrechten, de verwijzing naar art. 6:185. Schadeverzekeraars kunnen daardoor voortaan op grond van de productaansprakelijkheid verhaal nemen op de marktdeelnemer (3) (8).
Een zuivere implementatie
De richtlijn harmoniseert volledig (art. 3), en de regering kiest voor een zuivere implementatie (1) (8). Nederland wijkt niet af van het ontwikkelingsrisicoverweer (art. 18), hoewel de Consumentenbond daarom vroeg voor onder meer kinderproducten, medische hulpmiddelen, voeding en "AI-gestuurde consumentenelektronica"; de noodzaak is volgens de memorie van toelichting onvoldoende gebleken. Ook begrippen als relevant bewijsmateriaal, fabrikant, component en ingrijpende wijziging vult de regering niet nader in, omdat hun uitleg aan het Hof van Justitie is voorbehouden.
Twee regimes naast elkaar: het overgangsrecht
De richtlijn geldt voor producten die na 8 december 2026 in de handel zijn gebracht of in gebruik zijn gesteld. Die datum staat er sinds de rectificatie van 7 mei 2026; de oorspronkelijke tekst van art. 2 lid 1 sprak van "na 9 december 2026" (2). Richtlijn 85/374 blijft van toepassing op producten die vóór 9 december 2026 in de handel zijn gebracht of in gebruik zijn gesteld (art. 21) (1) (10).
Het wetsvoorstel volgt dat in een nieuw art. 189aa Overgangswet nieuw BW. De wijzigingen "zijn niet van toepassing op producten die vóór 9 december 2026 in de handel zijn gebracht of in gebruik zijn gesteld"; op die producten blijft het recht van vóór die datum van toepassing (3). De memorie van toelichting en de Eerste Kamer hanteren dezelfde grens: op of na 9 december 2026 (5) (8). Omdat het huidige recht een vervaltermijn van tien jaar kent, bestaan de twee regimes tot in december 2036 naast elkaar.
Wanneer is software in de handel gebracht?
Beslissend is wanneer het product voor het eerst in de Unie op de markt is aangeboden of, als het niet eerst in de handel is gebracht, voor het eerst in het kader van een handelsactiviteit is gebruikt (art. 6:184a lid 1 sub l tot en met n). Voor software die doorlopend wordt bijgewerkt, geeft de tekst geen volledig antwoord, maar wel twee aanknopingspunten. Bij een ingrijpende wijziging door een update of upgrade, of door het voortdurende leren van een AI-systeem, geldt het gewijzigde product als op de markt aangeboden op het moment dat de wijziging daadwerkelijk wordt doorgevoerd (overweging 40) (1), en gaat een nieuwe vervaltermijn lopen (art. 6:191a lid 1 sub b). Updates en upgrades die geen ingrijpende wijziging zijn, laten de vervaltermijn van het oorspronkelijke product volgens de memorie van toelichting ongemoeid (8).
Ingrijpend is een wijziging die de productveiligheidsregels zo aanmerken of, als die geen drempel kennen, een niet in de oorspronkelijke risicobeoordeling voorziene verandering van prestaties, doel of type die bovendien de aard van het gevaar verandert, een nieuw gevaar creëert of het risiconiveau verhoogt (art. 6:184a lid 1 sub q). Voor een SaaS-toepassing die al vóór 9 december op de markt was en daarna gewoon wordt onderhouden, ligt dus het huidige regime voor de hand, waarin software niet als product wordt genoemd; een ingrijpende wijziging daarna kan haar onder het nieuwe brengen. Hoe dit uitpakt bij software die in kleine stappen verandert, moet de rechtspraak uitwijzen.
Software, SaaS en AI-systemen als product
Een ruim softwarebegrip
Het nieuwe art. 6:184a lid 1 sub b BW omschrijft een product als "elke roerende zaak, ook nadat zij is geïntegreerd in of onderling is verbonden met een andere roerende of onroerende zaak, met inbegrip van elektriciteit, digitale fabricagedossiers, grondstoffen en software" (3). Overweging 13 noemt "besturingssystemen, firmware, computerprogramma's, applicaties of AI-systemen", en software is een product "ongeacht de wijze van levering of gebruik", dus ook als zij via de cloud toegankelijk is of als software-als-service wordt geleverd (1). De memorie van toelichting: "Het begrip software moet ruim worden uitgelegd" (8). Aanbieders van AI-systemen in de zin van de AI-verordening moeten volgens dezelfde overweging als fabrikant worden behandeld (11).
Gratis betekent niet buiten schot: op de markt aanbieden gebeurt in het kader van een handelsactiviteit, "al dan niet tegen betaling" (art. 6:184a lid 1 sub l). Alleen gratis en opensourcesoftware die buiten een handelsactiviteit wordt ontwikkeld of geleverd, is uitgezonderd (lid 3 sub a). Levering tegen een prijs, of tegen persoonsgegevens die niet uitsluitend dienen om de beveiliging, compatibiliteit of interoperabiliteit van de software te verbeteren, geldt wel als handelsactiviteit (overweging 14). Wie zulke opensourcesoftware als component in een commercieel product inbouwt, is voor de gebreken ervan aansprakelijk, de ontwikkelaar niet (overweging 15).
Bijbehorende diensten
Diensten vallen als zodanig niet onder de regeling. Anders ligt het bij de bijbehorende dienst: een digitale dienst zonder welke een product een of meer van zijn functies niet zou kunnen vervullen (art. 6:184a lid 1 sub c). Overweging 17 noemt onder meer verkeersgegevens in een navigatiesysteem en de temperatuurregeling van een slimme koelkast (1). Staat zo'n dienst onder zeggenschap van de fabrikant, dan is hij een component.
Wat geen product is
Daartegenover staat de uitzondering die voor juridische AI het zwaarst weegt. Overweging 13: "Informatie mag echter niet als een product worden beschouwd en de productaansprakelijkheidsregels mogen daarom niet van toepassing zijn op de inhoud van digitale bestanden, zoals mediabestanden of e-boeken of de loutere broncode van software." (1) De memorie van toelichting neemt dat over (8). De software die een e-boek weergeeft, is een product; de tekst van het e-boek niet. Digitale fabricagedossiers, zoals een ontwerpbestand voor een 3D-printer, zijn wel een product (overweging 16).
Wie aansprakelijk is: de marktdeelnemers
Art. 6:187 BW werkt met een getrapte kring (3). Aansprakelijk zijn de fabrikant van het gebrekkige product en daarnaast de fabrikant van een gebrekkige component die is ingebouwd in een product waarover de fabrikant zeggenschap heeft. Is de fabrikant buiten de Unie gevestigd, dan zijn ook de importeur en de gemachtigde aansprakelijk, en als die ontbreken de fulfilmentdienstverlener. Is geen van hen in de Unie te identificeren, dan is iedere distributeur aansprakelijk, tenzij hij binnen een maand na een verzoek van de benadeelde een in de Unie gevestigde marktdeelnemer noemt of de distributeur die het product aan hem leverde (lid 3). Hetzelfde geldt voor een onlineplatform waarop consumenten op afstand overeenkomsten met handelaren sluiten en dat zelf geen marktdeelnemer is, onder de voorwaarden van art. 6 lid 3 van de digitaledienstenverordening (lid 4).
Fabrikant is ook wie zich als fabrikant presenteert door zijn naam of merk op het product aan te brengen, en wie een product voor eigen gebruik ontwikkelt (art. 6:184a lid 1 sub e). Wie een product buiten de zeggenschap van de fabrikant ingrijpend wijzigt en daarna in de handel brengt of in gebruik stelt, geldt zelf als fabrikant (art. 6:187 lid 2), behalve voor gebreken in onderdelen waarop zijn wijziging geen betrekking had (art. 6:185 lid 1 sub g). Een onderneming die het AI-model of de softwarebibliotheek van een ander in haar product verwerkt of ermee verbindt, staat in voor de gebreken daarvan, naast de fabrikant van de component. Die kan zich bevrijden als het gebrek te wijten is aan het ontwerp van het eindproduct of aan de instructies van de fabrikant daarvan (sub f). Marktdeelnemers zijn hoofdelijk aansprakelijk (art. 6:189), en het regres volgt de artikelen 6:10, 6:101 en 6:102 BW (8).
Welke schade telt, en welke niet
Art. 6:185 lid 1 BW spreekt van "de schade van natuurlijke personen", en art. 6:190 BW is uitputtend (3). Aansprakelijkheid bestaat alleen voor:
- "overlijden, lichamelijk of geestelijk letsel" (onderdeel a);
- beschadiging of vernietiging van zaken, met uitzondering van het gebrekkige product zelf, van een product dat is beschadigd door een gebrekkige component die door of onder zeggenschap van de fabrikant is ingebouwd, en van "uitsluitend voor beroepsdoeleinden gebruikte zaken" (onderdeel b);
- "vernietiging of corruptie van niet voor beroepsdoeleinden gebruikte gegevens" (onderdeel c).
Letsel, ook geestelijk
Volgens art. 6 lid 1 sub a van de richtlijn omvat lichamelijk letsel ook "medisch erkende schade aan de geestelijke gezondheid" (1). Overweging 21 spreekt van medisch erkende en medisch gecertificeerde schade die de algemene gezondheidstoestand beïnvloedt. Het voorstel gebruikt de term geestelijk letsel, omdat die volgens de memorie van toelichting beter aansluit bij de systematiek van Boek 6 (8). Hoe de rechter die term in productaansprakelijkheidszaken invult, is nog niet te zeggen; overweging 21 is het Europese ijkpunt. Vergoed worden alle materiële gevolgen, zoals medische kosten, begrafeniskosten en gederfde inkomsten, en immateriële schade voor zover het nationale recht die vergoedt (art. 6 lid 2 richtlijn; art. 6:95 en 6:106 BW). Ook verplaatste schade, loonaanspraken en affectieschade kunnen volgens de memorie van toelichting worden gevorderd (art. 6:107, 6:107a en 6:108 BW).
Zaken: alleen uitsluitend beroepsmatig gebruik valt af
Het huidige recht vergoedt alleen schade aan zaken voor de privésfeer, met een franchise van € 500. Het nieuwe recht sluit, wat het gebruik betreft, alleen zaken uit die uitsluitend voor beroepsdoeleinden worden gebruikt, en kent geen franchise (1) (8). Bij gemengd gebruik, zoals een auto die zakelijk en privé wordt gebruikt, kan de schade volgens de memorie van toelichting dus wel worden gevorderd, mits de benadeelde een natuurlijk persoon is.
Gegevens: gemengd gebruik valt wel af
Bij gegevens is het andersom. Gegevens die voor beroepsdoeleinden worden gebruikt, vallen erbuiten, "zelfs indien dat niet uitsluitend zo is" (overweging 22), om het risico van een buitensporig aantal rechtszaken tegen te gaan (1) (8). De kosten van terugwinnen of herstellen horen bij de schade, maar er is geen materieel verlies als de gegevens kosteloos terug te halen zijn: uit een back-up, door ze opnieuw te downloaden of doordat de marktdeelnemer ze herstelt (overweging 20). Vernietiging of corruptie is bovendien iets anders dan een datalek; vorderingen op grond van de AVG staan los van de richtlijn (art. 2 lid 4 sub a).
Wat niet op de lijst staat
Volgens overweging 24 geven "zuiver economische verliezen, inbreuken op de persoonlijke levenssfeer of discriminatie" als zodanig geen aanleiding tot aansprakelijkheid op grond van de richtlijn (1). De memorie van toelichting verwijst voor zulke schade naar het nationale recht, zoals de onrechtmatige daad (8). Gederfde inkomsten na letsel worden dus wel vergoed; een gemiste transactie of een verloren procedure waaraan geen letsel, zaakschade of gegevensschade ten grondslag ligt, niet.
Het advocatenkantoor als benadeelde
Een kantoor gebruikt een AI-tool voor dossieranalyse. Door een gebrekkige update raakt een deel van het dossierarchief corrupt, gaan uren werk verloren en wordt een termijn gemist. Afdeling 6.3.3 BW biedt dan geen soelaas. Een kantoor dat als rechtspersoon is georganiseerd, is geen natuurlijk persoon; de gegevens zijn beroepsmatig gebruikt (art. 6:190 sub c BW); en de verloren uren, de gevolgen van de gemiste termijn en een eventuele aansprakelijkheid jegens de cliënt zijn vermogensschade die niet voortvloeit uit een vergoedbare schadesoort. De advocaat die als natuurlijk persoon praktijk voert, komt om de laatste twee redenen niet verder. Anders ligt het bij letsel: een medewerker die op kantoor letsel oploopt door een gebrekkig product, kan wel vorderen.
Wat overblijft, zijn het contract en het gewone aansprakelijkheidsrecht. Art. 6:192 BW staat dan niet aan een contractuele beperking in de weg, omdat die bepaling alleen ziet op de aansprakelijkheid op grond van de afdeling jegens de benadeelde. Het gewicht ligt bij de inkoopvoorwaarden; onze checklist voor due diligence van legal AI-leveranciers zet de vragen op een rij.
De cliënt die afgaat op onjuiste AI-informatie
Een cliënt verliest geld omdat hij handelt op onjuiste juridische informatie die door AI is gegenereerd, of die nu van de chatbot van een aanbieder komt of in een advies van zijn advocaat is beland. Ook hij heeft geen vordering op grond van afdeling 6.3.3 BW. Zijn schade is zuiver economisch, zodat de vraag of informatie een product is, niet eens meer ter zake doet. Hij blijft aangewezen op de routes die art. 6:193 BW openhoudt voor vorderingen op andere gronden dan het gebrek van het product (3). Tegenover zijn advocaat is dat de overeenkomst van opdracht: de opdrachtnemer moet de zorg van een goed opdrachtnemer in acht nemen (art. 7:401 BW) (12), en een toerekenbare tekortkoming verplicht tot schadevergoeding (art. 6:74 BW). Tegenover een aanbieder zijn dat het contract en de onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). Zie verder Kunnen advocaten aansprakelijk worden voor AI-fouten?
Informatie of product: de output van een AI-systeem
Krone-Verlag
Het Hof van Justitie trok de grens tussen informatie en product al onder de oude richtlijn (13). Een Oostenrijkse krant publiceerde eind 2016 een kruidencolumn volgens welke een kompres van geraspte mierikswortel "twee tot vijf uur" kon blijven zitten; dat hadden minuten moeten zijn. Een lezeres liep een toxische huidreactie op en vorderde € 4.400 van de uitgever. Volgens het Hof vallen diensten niet onder de richtlijn (punt 32), wordt een gebrek vastgesteld aan de hand van elementen die inherent zijn aan het product zelf (punt 35), en had het onjuiste advies geen betrekking op de presentatie of het gebruik van de krant (punt 36). "De aansprakelijkheid van dienstverrichters en de aansprakelijkheid van fabrikanten van eindproducten vormen dus twee verschillende aansprakelijkheidsregelingen" (punt 38). Andere regelingen, zoals de onrechtmatige daad, kunnen wel van toepassing zijn (punt 41).
Twee uitgangspunten, één open vraag
Met overweging 13 staan voor AI twee dingen vast. Het AI-systeem is software en dus een product. De informatie die het voortbrengt, is als zodanig geen product. Waar de grens ligt als de output van een AI-systeem lichamelijk of geestelijk letsel veroorzaakt, laten de richtlijn en de memorie van toelichting open; een rechterlijke beslissing daarover is er nog niet (1) (8).
Voor beide standpunten valt iets te zeggen. Wie de output als gebrek van de software ziet, wijst erop dat zij niet door een auteur is geschreven en op een drager gezet, maar door het product zelf wordt voortgebracht, en dat de gebrekkigheidstoets let op de kenmerken van het product, het redelijkerwijs te verwachten gebruik en het vermogen om te blijven leren (art. 6:186 lid 1 BW nieuw). Wie haar als informatie ziet, wijst op de categorische tekst van overweging 13 en op het onderscheid tussen producten en diensten uit Krone-Verlag. Het laatste woord is aan het Hof van Justitie.
Voor juridische AI is de vraag kleiner dan zij lijkt, omdat de schade door onjuiste juridische informatie meestal zuiver economisch is en dus hoe dan ook buiten de regeling valt. Zij weegt zwaar bij toepassingen waarin output tot letsel kan leiden, zoals medische en psychologische chatbots. Bij AI die een voertuig, machine of robot aanstuurt, gaat het in de regel om het gedrag van het product zelf, en speelt de vraag nauwelijks.
Gebreken na levering: updates, leren en cyberbeveiliging
Het nieuwe recht houdt er rekening mee dat software na levering verandert. De fabrikant heeft zeggenschap als hij zelf een component, waaronder software-updates of -upgrades, integreert of levert of het product wijzigt, als hij instemt met zulke handelingen van een derde, en als hij zelf of via een derde updates of upgrades kan leveren (art. 6:184a lid 2) (3). Dat werkt op drie plaatsen door.
- Het gebrek. Behoudt de fabrikant zeggenschap, dan telt het tijdstip waarop hij die verliest, en verder "het effect op het product van het vermogen om te blijven leren of nieuwe functies te verwerven" en de relevante productveiligheidsvoorschriften, "waaronder veiligheidsgerelateerde cyberbeveiligingsvoorschriften" (art. 6:186 lid 1 sub c, e en f). Een fabrikant die een product ontwerpt dat onverwacht gedrag kan ontwikkelen, blijft volgens de memorie van toelichting aansprakelijk voor gedrag dat schade veroorzaakt (8).
- Het later ontstane gebrek. Dat verweer vervalt als het gebrek, binnen de zeggenschap van de fabrikant, te wijten is aan een bijbehorende dienst, aan software met inbegrip van updates of upgrades, aan het ontbreken van updates of upgrades die nodig zijn om de veiligheid te handhaven, of aan een ingrijpende wijziging (art. 6:185 lid 2).
- Het ontwikkelingsrisico. Beslissend is de objectieve stand van de wetenschappelijke en technische kennis bij het in de handel brengen "dan wel gedurende de periode waarin de fabrikant de zeggenschap over het product had" (art. 6:185 lid 1 sub e): het meest geavanceerde niveau van toegankelijke kennis, niet wat de fabrikant feitelijk wist (overweging 52).
Een plicht tot updaten legt de richtlijn niet op (overweging 51). De aansprakelijkheid voor ontbrekende updates geldt niet als de eigenaar een geleverde update niet installeert. Heeft de benadeelde een aangeboden update uit nalatigheid niet geïnstalleerd, dan kan de aansprakelijkheid worden verminderd of opgeheven (art. 6:185 lid 3 nieuw; overweging 55). Misbruik van een kwetsbaarheid door een derde vermindert de aansprakelijkheid niet; de marktdeelnemer kan wel op die derde verhalen (art. 6:185 lid 4 nieuw) (8). Een product is niet gebrekkig om de enkele reden dat er een beter product of een update bestaat (art. 6:186 lid 2).
Daarbij komt Verordening (EU) 2024/2847, de Verordening cyberweerbaarheid (14). Die is in beginsel van toepassing vanaf 11 december 2027; de meldplicht voor actief uitgebuite kwetsbaarheden en ernstige incidenten van art. 14 geldt al vanaf 11 september 2026, en hoofdstuk IV over de aanmelding van conformiteitsbeoordelingsinstanties vanaf 11 juni 2026 (art. 71). Een kwetsbaarheid kan een product gebrekkig maken (overweging 32), maar niet iedere schending van de verordening maakt het product gebrekkig; veiligheidsgerelateerde cyberbeveiligingsvoorschriften wegen mee als omstandigheid (art. 6:186 lid 1 sub f). Of en welke eisen uit de AI-verordening gelden als dwingende productveiligheidsvoorschriften in de zin van art. 6:188 lid 2 sub b BW, zegt de memorie van toelichting niet; wij laten die vraag open.
Bewijs: toegang tot bewijsmateriaal en vermoedens
Art. 9 van de richtlijn
De eiser die feiten en bewijsmateriaal heeft overgelegd die voldoende zijn om zijn vordering aannemelijk te maken, kan toegang krijgen tot het relevante bewijsmateriaal waarover de verweerder beschikt, en omgekeerd (art. 9 lid 1 en 2) (1). De toegang blijft beperkt tot wat noodzakelijk en evenredig is, met bescherming van vertrouwelijke informatie en bedrijfsgeheimen, en de rechter kan verlangen dat het materiaal op een gemakkelijk toegankelijke en begrijpelijke wijze wordt overgelegd (lid 3 tot en met 6). Volgens overweging 42 kan het ook gaan om documenten die de verweerder nog moet opstellen door beschikbaar bewijsmateriaal te bundelen of te rubriceren, en moet de rechter onder meer informatie beschermen "die valt onder het beroepsgeheim van de advocaat". De toegang vóór het proces, de vraag hoe specifiek een verzoek moet zijn, de positie van derden en sancties laat de richtlijn aan het nationale recht (art. 9 lid 7; overweging 43).
De Nederlandse route: art. 194 tot en met 196 Rv
Nederland zet art. 9 niet afzonderlijk om, omdat het volgens de regering overeenstemt met het recht op inzage, afschrift of uittreksel van gegevens in de artikelen 194 en 195 Rv (8). Art. 6:188 lid 2 sub a BW koppelt het vermoeden van gebrekkigheid daarom aan "de verplichting op grond van de artikelen 194 en 195 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot het verlenen van toegang tot relevant bewijsmateriaal waarover hij beschikt" (3). Sinds 1 januari 2025 staat de exhibitieplicht in die artikelen; art. 843a Rv is per die datum vervallen (15).
Art. 194 lid 1 Rv geeft een partij bij een rechtsbetrekking recht op inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking als zij daarbij voldoende belang heeft, op haar kosten. Verstrekking kan worden geweigerd als degene die over de gegevens beschikt een verschoningsrecht als bedoeld in art. 165 lid 2 Rv toekomt of als gewichtige redenen zich ertegen verzetten (lid 2). De rechter bepaalt de voorwaarden waaronder, de wijze waarop en de termijn waarbinnen wordt verstrekt (art. 195 lid 2). Art. 195a Rv maakt een verzoek tegen een derde mogelijk, en volgens de memorie van toelichting kan een verzoek ook al vóór de procedure worden gedaan (art. 194 tot en met 195a in verbinding met art. 196 Rv) (8). Door de voorwaarden, de weigeringsgronden en de regie van de rechter acht de regering het risico van fishing expeditions beperkt.
Omdat de specificiteit van een verzoek aan het nationale recht is gelaten, blijft het vereiste van bepaalde gegevens overeind. Of de rechter ook kan verlangen dat de gedaagde gegevens samenstelt of ordent, zoals overweging 42 veronderstelt, moet de rechtspraak uitwijzen; art. 195 lid 2 Rv biedt een aanknopingspunt.
Het beroepsgeheim van de advocaat
Wie uit hoofde van ambt, beroep of betrekking tot geheimhouding verplicht is omtrent hetgeen hem in die hoedanigheid is toevertrouwd, heeft een verschoningsrecht (art. 165 lid 2 sub b Rv) en hoeft dan geen inzage te geven (art. 194 lid 2 sub a Rv) (15). Dat speelt als de advocaat van een fabrikant als derde wordt aangesproken op grond van art. 195a Rv. Voor adviezen die bij de gedaagde zelf berusten, kan in elk geval een beroep op gewichtige redenen worden gedaan, en overweging 42 vraagt de rechter uitdrukkelijk zulke informatie te beschermen.
De vermoedens van art. 6:188 BW
De eiser bewijst gebrek, schade en oorzakelijk verband (lid 1). Het product wordt vermoed gebrekkig te zijn als de gedaagde zijn verplichting tot het verlenen van toegang tot relevant bewijsmateriaal niet nakomt, als de eiser aantoont dat het product in strijd is met dwingende productveiligheidsvoorschriften die moeten beschermen tegen het risico van de geleden schade, of dat de schade is veroorzaakt door een kennelijk disfunctioneren bij redelijkerwijs te verwachten gebruik of onder normale omstandigheden (lid 2) (3). Het oorzakelijk verband wordt vermoed als het gebrek vaststaat en de soort schade daarmee doorgaans strookt (lid 3). Ondervindt de eiser ondanks de toegang tot bewijsmateriaal buitensporige moeilijkheden, met name door technische of wetenschappelijke complexiteit, dan volstaat dat hij aantoont dat het gebrek of het oorzakelijk verband waarschijnlijk is (lid 4).
Voor AI is lid 4 de kern. Overweging 48 noemt machinaal leren en een oorzakelijk verband dat alleen kan worden bewezen als de eiser de interne werking van een AI-systeem zou verduidelijken (1). Volgens de memorie van toelichting hoeft de eiser buitensporige moeilijkheden niet te bewijzen, maar moet hij ze met argumenten aannemelijk maken; bij een vordering die verband houdt met een AI-systeem mag daarom niet van hem worden verlangd dat hij de specifieke kenmerken van het systeem toelicht, of uitlegt hoe die kenmerken het moeilijker maken het oorzakelijk verband vast te stellen (8). De bewijslast wordt volgens de regering niet omgekeerd: het bewijsrisico blijft bij de eiser en de vermoedens zijn weerlegbaar. De twee vermoedens van lid 4 kunnen samen worden toegepast, maar alleen als de eiser voor zowel het gebrek als het oorzakelijk verband buitensporige moeilijkheden aanvoert en aantoont dat beide waarschijnlijk zijn; toont hij alleen aan dat het gebrek waarschijnlijk is, dan wordt alleen het gebrek vermoed. Uit de koppeling aan art. 194 Rv volgt verder dat het vermoeden van lid 2 sub a een verplichting veronderstelt: wie terecht weigert op grond van een verschoningsrecht of gewichtige redenen, schiet niet tekort.
Contracten en verzekering
Tegenover de benadeelde kan de aansprakelijkheid niet worden uitgesloten of beperkt (art. 6:192 lid 1 BW; art. 15 richtlijn), en ook de nationale wetgever mag geen maximumbedragen invoeren (overweging 56) (1). In de keten blijft er contractsvrijheid: het regres tussen marktdeelnemers kan contractueel worden geregeld, en daarom zet het voorstel de afstand van regres jegens micro- en kleine leveranciers van softwarecomponenten uit art. 12 lid 2 van de richtlijn niet afzonderlijk om (8). Bij de herziening van contracten in de software- en AI-keten horen in elk geval op tafel:
- de periode waarin beveiligingsupdates worden geleverd, en de verantwoordelijkheid bij ingrijpende wijzigingen door de afnemer of een derde;
- bewaartermijnen voor technische documentatie, logbestanden, testresultaten en releasegegevens, afgestemd op tien jaar en, bij latent letsel, 25 jaar;
- medewerking aan bewijsverzoeken en de bescherming van bedrijfsgeheimen;
- vrijwaringen, aansprakelijkheidsbeperkingen en afstand van regres;
- de herkomst van opensourcecomponenten;
- verzekeringsdekking, ook voor gegevensschade.
Productaansprakelijkheid is in de regel meeverzekerd op de aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijven (AVB) (8). Het Verbond van Verzekeraars verwacht door de grotere kring van aansprakelijken een hogere schadelast en noemt de nieuwe risico's van software, digitale fabricagedossiers en gegevensschade lastig calculeerbaar. Daarbij komt het regres van schadeverzekeraars na de wijziging van art. 6:197 BW. En door het vervallen van art. 7:24 lid 2 sub c BW wordt bij een consumentenkoop ook zaakschade onder € 500 naar de marktdeelnemer gekanaliseerd, tenzij de verkoper het gebrek kende of behoorde te kennen of de afwezigheid ervan heeft toegezegd (8) (12).
Duitsland, Frankrijk en het Europese register
In Duitsland nam de Bundestag op 8 oktober 2026 het Gesetz zur Modernisierung des Produkthaftungsrechts und zur Änderung weiterer Vorschriften aan in de versie van de commissie (16); de Bundesrat riep op 16 oktober de Vermittlungsausschuss niet aan. Het nieuwe Produkthaftungsgesetz treedt volgens de aangenomen tekst op 9 december 2026 in werking; voor producten die tot en met 8 december 2026 in het verkeer zijn gebracht of in gebruik zijn genomen, blijft de wet van 1989 gelden. De afkondiging in het Bundesgesetzblatt staat nog uit. Opvallend is § 19: ook derden kunnen tot overlegging van bewijsmiddelen worden verplicht, behalve wie op grond van §§ 383 tot en met 385 ZPO mag weigeren te getuigen, zoals advocaten en andere geheimhouders. Nederland kende voor derden al art. 195a Rv.
In Frankrijk staat de productaansprakelijkheid in de artikelen 1245 tot en met 1245-17 van de Code civil, die software niet noemen (17). Het ministerie van Justitie antwoordde op 12 mei 2026 op een schriftelijke vraag dat een interministeriële werkgroep aan de omzetting werkt en dat "un texte dédié est envisagé à ce stade" (18). Op 23 oktober 2026 hebben wij onder de projets de loi die Vie publique vermeldt, geen wetsvoorstel tot omzetting aangetroffen. Een richtlijn kan niet uit zichzelf verplichtingen opleggen aan een particulier, zodat een Franse gedaagde niet rechtstreeks op grond van de ruimere reikwijdte van de richtlijn kan worden aangesproken. Wel moet de Franse rechter het nationale recht zoveel mogelijk richtlijnconform uitleggen, en een te late omzetting kan de aansprakelijkheid van de Staat meebrengen.
Het register van nationale omzettingsmaatregelen op EUR-Lex vermeldde op 23 oktober 2026 alleen maatregelen van Kroatië (één) en Hongarije (zes); voor alle andere lidstaten, ook Nederland, Duitsland en Frankrijk, stond de teller op nul (19).
Wat dit betekent voor het kantoor zelf
Als koper van AI-tools heeft het kantoor in de regel geen vordering op grond van afdeling 6.3.3 BW, en wordt het contract dus belangrijker: beschikbaarheid, gegevensintegriteit, back-ups en herstel, de duur van ondersteuning en beveiligingsupdates, logging, aansprakelijkheid en de exitregeling.
Als aanbieder van software aan cliënten kan een kantoor een product op de markt aanbieden wanneer het in het kader van zijn praktijk een app, rekentool, documentgenerator of portaal ter beschikking stelt, ook als de cliënt er niet voor betaalt. Wie de tool heeft ontwikkeld of laten ontwikkelen, of die van een leverancier onder de eigen naam aanbiedt, is fabrikant (art. 6:184a lid 1 sub e en l BW) (3). Het risico blijft beperkt door de schadesoorten: de schade die een cliënt door een fout in zo'n tool lijdt, is meestal zuiver economisch. Een tool die bij een particuliere cliënt privébestanden vernietigt of corrumpeert, valt er wel onder.
In een procedure is de eerste vraag welk regime geldt: wanneer is het concrete product in de handel gebracht of in gebruik gesteld, en is het daarna ingrijpend gewijzigd? Dan volgen de schadesoort, de kring van aansprakelijken en de termijnen van art. 6:191 en 6:191a BW nieuw. Voor de eiser ligt een verzoek op grond van art. 194, 195 of 195a Rv voor de hand, zo nodig al vóór de procedure; voor de gedaagde het tijdig veiligstellen van logbestanden, versies en updategeschiedenis en het afschermen van bedrijfsgeheimen en stukken die onder het beroepsgeheim vallen.
Zes weken tot 9 december: een actielijst
- Inventariseer per cliënt de producten en softwareversies die vóór en na 9 december 2026 in de handel komen, met hun releasedata.
- Bepaal per product de rol van de cliënt: fabrikant, componentfabrikant, importeur, gemachtigde, fulfilmentdienstverlener, distributeur of platform.
- Toets geplande grote releases op een ingrijpende wijziging en documenteer die beoordeling.
- Leg het updatebeleid vast: welke beveiligingsupdates worden geleverd, hoe lang en door wie.
- Richt een bewaarbeleid in voor technische documentatie, logbestanden, testresultaten en updategeschiedenis, voor ten minste tien jaar.
- Scheid juridische adviezen van technische dossiers en markeer stukken die onder het beroepsgeheim vallen.
- Herzie de contracten in de keten: regres, vrijwaringen, aansprakelijkheidsbeperkingen, de afstand van regres jegens kleine softwareleveranciers en medewerking aan bewijsverzoeken.
- Breng opensourcecomponenten in kaart; wie opensourcesoftware inbouwt, staat in voor de gebreken ervan.
- Laat de verzekeringsdekking nalopen, ook voor gegevensschade en voor het regres van schadeverzekeraars.
- Volg de Eerste Kamer: 3 november, 10 november en het koninklijk besluit over de inwerkingtreding.
Hoe dit aansluit op de manier waarop LexVera juridisch werk ondersteunt
LexVera is gebouwd voor Nederlands en Europees recht: Nederlandse wetgeving en rechtspraak, EU-recht met de wetgeving en de rechtspraak van het Hof van Justitie, en de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Door het overgangsrecht gelden jarenlang twee versies van dezelfde afdeling naast elkaar. LexVera leest Nederlandse wetgeving in de formulering die gold op de datum die voor de zaak beslissend is, en laat zien wanneer die formulering afwijkt van de huidige tekst. Iedere bewering blijft verbonden met de passage van de officiële tekst waarop zij steunt, zodat de controlerende advocaat de bron nakijkt en niet een samenvatting.
De documenten van een kantoor blijven in de werkomgeving van dat kantoor, onder de toegangsregels die het kantoor zelf instelt. LexVera ondersteunt de voorbereiding; een advocaat beslist wat er als advies naar de cliënt gaat. Dat is ook de maatstaf in ons redactioneel beleid.
Veelgestelde vragen
Vanaf wanneer gelden de nieuwe regels voor productaansprakelijkheid?
Voor producten die op of na 9 december 2026 in de handel worden gebracht of in gebruik worden gesteld; voor oudere producten blijft het huidige recht gelden (art. 21 richtlijn en het voorgestelde art. 189aa Overgangswet nieuw BW). De Eerste Kamer kan wetsvoorstel 36906 op 10 november 2026 als hamerstuk afdoen als geen van de leden uiterlijk 3 november om schriftelijke voorbereiding vraagt. De inwerkingtreding volgt bij koninklijk besluit.
Is software die als dienst wordt aangeboden ook een product?
Ja. Software is een product ongeacht de wijze van levering of gebruik, dus ook als zij via de cloud bereikbaar is of als software-als-service wordt geleverd, en ook als AI-systeem of als gratis app die in het kader van een handelsactiviteit wordt aangeboden. Alleen gratis en opensourcesoftware buiten een handelsactiviteit valt erbuiten. Informatie, zoals de inhoud van digitale bestanden, is geen product.
Kan een advocatenkantoor de leverancier van een gebrekkige AI-tool aanspreken op grond van de nieuwe regels?
Nee. Alleen natuurlijke personen kunnen zich op de regeling beroepen, beroepsmatig gebruikte gegevens zijn uitgesloten, ook bij gemengd gebruik, en zuivere vermogensschade staat niet op de lijst van art. 6:190 BW. Het kantoor is aangewezen op het contract met de leverancier en op het gewone aansprakelijkheidsrecht. Een medewerker die letsel oploopt door een gebrekkig product, kan als natuurlijk persoon wel vorderen.
Is een onjuist antwoord van een AI-systeem een gebrekkig product?
Dat is niet beslist. Het AI-systeem is software en dus een product, maar informatie is volgens overweging 13 van de richtlijn geen product, en in Krone-Verlag maakte een onjuist gezondheidsadvies de krant waarin het stond niet gebrekkig. Waar de grens ligt als AI-output tot letsel leidt, is open. Voor juridische AI speelt de vraag minder, omdat de schade door onjuiste juridische informatie meestal zuiver economisch is.
Moet een fabrikant zijn technische documentatie aan de benadeelde laten zien?
Mogelijk wel. De benadeelde kan op grond van art. 194 en 195 Rv inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens vorderen, en de rechter bepaalt de voorwaarden en de wijze van verstrekking. Verstrekking kan worden geweigerd bij een verschoningsrecht of gewichtige redenen. Voldoet de gedaagde niet aan zijn verplichting, dan wordt het product vermoed gebrekkig te zijn (art. 6:188 lid 2 sub a BW).
Kan de aansprakelijkheid contractueel worden beperkt?
Niet tegenover de benadeelde: art. 6:192 BW en art. 15 van de richtlijn verbieden uitsluiting en beperking, en de franchise van € 500 vervalt. Tussen ondernemingen in de keten kunnen regres, vrijwaringen en aansprakelijkheidsbeperkingen wel worden geregeld, met inbegrip van de afstand van regres jegens micro- en kleine leveranciers van softwarecomponenten uit art. 12 lid 2 van de richtlijn.
Bronnen en verantwoording
Dit artikel weerspiegelt wetgeving, Kamerstukken, Europese documenten en rechtspraak zoals beschikbaar op 23 oktober 2026. Wetsvoorstel 36906 is op die datum nog geen wet; de artikelnummers van het nieuwe recht verwijzen naar het voorstel zoals ingediend (Kamerstuk nr. 2). De nota naar aanleiding van het verslag van 3 september 2026 was op die datum niet op officielebekendmakingen.nl gepubliceerd en is niet gebruikt. Citaten uit de richtlijn en uit Krone-Verlag komen uit de Nederlandse taalversie; Franse bronnen zijn in de oorspronkelijke taal aangehaald. De Duitse wet is aangenomen maar nog niet afgekondigd. Over de toekomstige uitleg van de richtlijn door het Hof van Justitie doen wij geen voorspelling. Dit is algemene professionele informatie, geen advies over een concrete zaak; ga de toepasselijke regels na in hun actuele versie.
- Richtlijn (EU) 2024/2853 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2024 inzake aansprakelijkheid voor gebrekkige producten en tot intrekking van Richtlijn 85/374/EEG van de Raad, PB L 2024/2853 van 18 november 2024, artikelen 2 tot en met 18 en 21 tot en met 23 en de overwegingen 13 tot en met 24, 32, 40, 42, 43, 48, 51, 52, 55 en 56
- Rectificatie van Richtlijn (EU) 2024/2853, PB L 2026/90364 van 7 mei 2026 (artikel 2, lid 1)
- Kamerstukken II 2025/26, 36906, nr. 2, voorstel van wet (Implementatiewet richtlijn herziening productaansprakelijkheid), artikelen I tot en met V
- Tweede Kamer der Staten-Generaal, wetsvoorstel 36906, overzicht van de behandeling (zonder stemming aangenomen op 15 oktober 2026)
- Eerste Kamer der Staten-Generaal, Implementatiewet richtlijn herziening productaansprakelijkheid (36.906), stand van zaken, geraadpleegd op 23 oktober 2026
- Intrekking van voorstellen van de Commissie, PB C/2025/5423 van 6 oktober 2025, waaronder COM(2022) 496 final, 2022/0303 (COD), het voorstel voor een richtlijn over de aanpassing van de regels inzake niet-contractuele civielrechtelijke aansprakelijkheid aan artificiële intelligentie
- Kamerstukken II 2025/26, 36906, nr. 4, advies Afdeling advisering Raad van State van 3 december 2025 en nader rapport van 13 februari 2026
- Kamerstukken II 2025/26, 36906, nr. 3, memorie van toelichting, paragrafen 2.4, 3.1, 3.2, 5, 6 en 7 en de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdelen A, C tot en met G, I, K, M en N, en de artikelen II tot en met IV
- Burgerlijk Wetboek Boek 6, geldende tekst, afdeling 6.3.3 (artikelen 6:185 tot en met 6:193)
- Richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken
- Verordening (EU) 2024/1689 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 tot vaststelling van geharmoniseerde regels betreffende artificiële intelligentie (verordening artificiële intelligentie, AI-verordening)
- Burgerlijk Wetboek Boek 7, geldende tekst, artikelen 7:24 en 7:401
- HvJ EU 10 juni 2021, VI tegen KRONE-Verlag Gesellschaft mbH & Co KG, C-65/20, ECLI:EU:C:2021:471, punten 13 tot en met 18 en 32 tot en met 41
- Verordening (EU) 2024/2847 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2024 betreffende horizontale cyberbeveiligingsvereisten voor producten met digitale elementen (Verordening cyberweerbaarheid), artikelen 14 en 71
- Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, geldende tekst (geldend vanaf 14 juli 2026), artikelen 165, 194, 195, 195a en 196; artikel 843a vervallen per 1 januari 2025
- Deutscher Bundestag, DIP, Vorgang 329483, Gesetz zur Modernisierung des Produkthaftungsrechts und zur Änderung weiterer Vorschriften; Regierungsentwurf, BT-Drucksache 21/4297 van 25 februari 2026; Beschlussempfehlung und Bericht, BT-Drucksache 21/8429 van 7 oktober 2026; Zivilprozessordnung, §§ 383 tot en met 385
- Code civil, articles 1245 tot en met 1245-17 (La responsabilité du fait des produits défectueux)
- Assemblée nationale, question écrite n° 11448 van Sacha Houlié, JO van 9 december 2025, p. 10030, antwoord in JO van 12 mei 2026, p. 4170; Vie publique, overzicht van wetgevingsdossiers, geraadpleegd op 23 oktober 2026
- EUR-Lex, nationale omzettingsmaatregelen voor Richtlijn (EU) 2024/2853 (wekelijks bijgewerkt), geraadpleegd op 23 oktober 2026