AVG-herziening: wat het Raadsmandaat betekent voor het inzage­verzoek als procesmiddel

Op 29 september 2026 verwierp het Gerechtshof Den Haag het betoog van een online casino dat een speler zijn inzagerecht misbruikte, omdat hij zijn gegevens alleen zou opvragen om het casino aansprakelijk te stellen. Het voorstel van de Europese Commissie om verzoeken voor andere doeleinden dan gegevensbescherming te laten weigeren, maakte dat volgens het hof niet anders: "Het gaat daarbij niet om geldend recht" (1). Drie weken later, op 21 oktober 2026, schrapten de lidstaten diezelfde zinsnede uit hun onderhandelingsmandaat voor de digitale omnibus, het pakket waarmee de AVG op onderdelen zou worden herzien (2) (3).

De Commissie had voorgesteld dat een verwerkingsverantwoordelijke een inzageverzoek mag weigeren als de betrokkene zijn rechten "misbruikt voor andere doeleinden dan de bescherming van zijn gegevens" (4). Dat raakt een vertrouwd instrument uit de Nederlandse procespraktijk: het opvragen van het eigen dossier bij de wederpartij voordat een procedure begint, in arbeidszaken, bij medische aansprakelijkheid, in geschillen met banken en verzekeraars en in de reeks zaken over gokverliezen bij buitenlandse online casino's. De Raad schrapt die doelzin en laat weigering toe als een misbruikoogmerk van de betrokkene kan worden aangetoond (3). Dat sluit aan bij Brillen Rottler, waarin het Hof van Justitie in maart 2026 oordeelde dat ook een eerste inzageverzoek bij misbruik als buitensporig mag worden geweigerd (5). De rapporteurs van het Europees Parlement gaan verder: zij willen vastleggen dat het gebruik van AVG-rechten om andere rechten te verwezenlijken geen misbruik is (6).

Wat Nederlandse rechters doen met inzageverzoeken in een geschil

Artikel 15 AVG geeft de betrokkene het recht te weten of een verwerkingsverantwoordelijke gegevens over hem verwerkt, en zo ja, een kopie van die gegevens te krijgen met informatie over doeleinden, ontvangers, herkomst en bewaartermijnen. De eerste kopie is kosteloos. De verwerkingsverantwoordelijke moet binnen een maand reageren, met een mogelijke verlenging van twee maanden. Weigeren kan alleen als verzoeken "kennelijk ongegrond of buitensporig" zijn, "met name vanwege hun repetitieve karakter", en het is aan de verwerkingsverantwoordelijke om dat aan te tonen (artikel 12 lid 5 AVG) (7). Tegenover een private verwerkingsverantwoordelijke kan de betrokkene zich daarna met een verzoekschrift tot de rechtbank wenden, binnen zes weken na het antwoord of zonder termijn als niet tijdig is geantwoord (artikel 35 UAVG) (8). Bij spoed staat het kort geding open, zoals de gokzaken laten zien.

Voor wie een geschil voorbereidt, kan dat recht ver reiken: e-mails waarin de cliënt wordt genoemd, interviewverslagen uit een intern onderzoek, notities van een schadebehandelaar, het medisch dossier. Er hoeft geen belang te worden gesteld en het kost niets. In een procesrecht zonder discovery is het inzageverzoek daardoor een vast onderdeel van de voorbereiding. Steeds keert de vraag terug of de verwerkingsverantwoordelijke zich kan verzetten omdat het verzoek eigenlijk een procedure dient.

Geen motivering nodig, ook niet naast een exhibitievordering

De Nederlandse lijn begint bij twee beschikkingen van de Hoge Raad van 29 juni 2007, nog onder de Wet bescherming persoonsgegevens. In de zaak tegen Dexia overwoog de Hoge Raad dat de betrokkene kan volstaan met een verwijzing naar artikel 35 Wbp en "geen nadere redenen" hoeft op te geven (rov. 3.4). Artikel 843a Rv "kan niet worden beschouwd als een ten opzichte van art. 35 Wbp bijzondere bepaling", en aan een inzageverzoek zonder misbruik ligt in het algemeen een rechtmatig belang ten grondslag (rov. 3.6.2) (9). In de zaak tegen HBU had de bank geweigerd omdat het verzoek een "fishing expedition" zou zijn om de waarborgen van artikel 843a Rv te omzeilen. Het hof zag geen misbruik; de Hoge Raad herhaalde dat geen redenen hoeven te worden opgegeven en dat alle relevante informatie moet worden verschaft, zo nodig met afschriften (rov. 3.6) (10).

Deze uitspraken worden vaak ruimer geciteerd dan zij zijn. Dat er geen misbruik was, had in beide zaken het hof geoordeeld; in cassatie was dat niet bestreden (Dexia rov. 3.6.1, HBU rov. 3.4) (9) (10). Een uitspraak van de Hoge Raad over misbruik van het inzagerecht onder de AVG hebben wij niet gevonden. Het dichtst daarbij komt de conclusie van A-G Drijber van 12 april 2024: "Van misbruik van recht is niet snel sprake, ook niet als het inzageverzoek ertoe strekt of leidt dat de bewijspositie (...) wordt versterkt" (nr. 4.9) (11).

Een procesdoel maakt een verzoek nog geen misbruik

De feitenrechtspraak volgt die lijn. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden besliste op 19 maart 2024 over een voormalig ambtenaar van de gemeente Rotterdam naar wie KPMG in opdracht van de gemeente onderzoek had gedaan en die later in eerste aanleg strafrechtelijk was veroordeeld. Hij vroeg KPMG om inzage, ook in de verslagen van interviews met derden. Anders dan de rechtbank zag het hof geen misbruik. Omdat het om een grondrecht gaat, kan misbruik "niet snel worden aangenomen"; dat de betrokkene wellicht ook een ander doel heeft, "zoals het gebruiken van bepaalde stukken in andere procedures, betekent dan ook nog niet dat hij misbruik maakt van zijn inzagerecht". Dat kan anders zijn als het recht alleen wordt gebruikt om de verwerkingsverantwoordelijke te schaden (rov. 4.4) (12). Wie in opdracht onderzoek doet naar een persoon, moet er dus op rekenen dat die persoon zijn gegevens opvraagt.

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam was op 24 december 2025 even duidelijk over spelers die met hun inzageverzoek "hoofdzakelijk" een procedure tot terugvordering van hun verliezen bij een online casino voorbereidden: "Voor het oordeel dat eisers daarmee misbruik van bevoegdheid maken is dit echter onvoldoende", met een verwijzing naar FT (rov. 4.8) (13). Het gaat om een vonnis in kort geding in eerste aanleg.

Hof Den Haag, 29 september 2026: het Commissievoorstel is geen geldend recht

Het Haagse arrest is de eerste uitspraak in hoger beroep die wij hebben gevonden waarin Brillen Rottler wordt toegepast. Een speler had in juli 2025 de op Malta gevestigde aanbieder van Unibet, die tot oktober 2021 zonder Nederlandse vergunning kansspelen aanbood, op grond van de artikelen 12 en 15 AVG om zijn kansspelgegevens gevraagd, met een beroep op artikel 20 AVG voor een machineleesbaar formaat. In kort geding vorderde hij die gegevens om de juistheid en rechtmatigheid van de verwerking te kunnen controleren "en/of de hoogte van door hem verrichte stortingen en opnames bij Unibet te achterhalen". De Rotterdamse voorzieningenrechter wees dat op 22 september 2025 toe. In hoger beroep betoogde de aanbieder, met een beroep op overweging 63 AVG, dat de speler zijn recht alleen inzette om haar aansprakelijk te stellen. Het hof bekrachtigde het vonnis (1):

Het spoedeisend belang bleef bestaan, ook nadat de Hoge Raad had beslist dat kansspelovereenkomsten met een aanbieder zonder vergunning niet om die reden nietig of vernietigbaar zijn (rov. 6.10.3) (1). Het blijft een arrest in kort geding, maar het is het helderste antwoord dat een Nederlandse appelrechter tot nu toe heeft gegeven: een procesdoel besmet een inzageverzoek niet, tenzij de verwerkingsverantwoordelijke opzettelijk misbruik aantoont.

De seriële verzoeker: Rechtbank Noord-Holland, juli 2026

Hoe opzettelijk misbruik eruitziet, laten twee beschikkingen van de Rechtbank Noord-Holland van 13 en 21 juli 2026 zien. Een particulier deed online bestellingen bij webwinkels, diende daarna een inzageverzoek in en startte procedures tegen bedrijven die niet of niet volledig antwoordden. Ter zitting verklaarde hij in anderhalf jaar "zo'n 90 inzageverzoeken op grond van de AVG" te hebben gedaan; bij de kantonrechter liepen ongeveer twintig van zijn zaken (14) (15). Tegenover een tuinmeubelwinkel dreigde hij al voor enig inhoudelijk antwoord met buitengerechtelijke kosten. Daarna stuurde een tussenpersoon namens hem een conceptdagvaarding met een schikkingsvoorstel van € 1.250 dat "uitdrukkelijk niet onderhandelbaar" heette, en na het verweer bood hij aan de procedure in te trekken als ieder de eigen kosten zou dragen (rov. 2.4, 4.10 en 4.14) (14).

De rechtbank stelde voorop dat "de lat voor het aannemen van misbruik van recht (...) hoog ligt", met verwijzing naar artikel 3:13 BW, artikel 12 lid 5 AVG en Brillen Rottler (rov. 4.7 en 4.8) (14). Toch had de verzoeker "welbewust een situatie (...) geconstrueerd die het hem mogelijk maakt van de betrokken bedrijven een schadevergoeding te verkrijgen", en hij werd niet-ontvankelijk verklaard (15). De rechtbank woog ook mee dat haar ambtshalve bekend was dat bij de rechtbanken Rotterdam en Midden-Nederland vergelijkbare zaken liepen, in lijn met de ruimte die Brillen Rottler laat om een patroon mee te wegen (14) (5). Het gaat om beschikkingen in eerste aanleg; of hoger beroep is ingesteld, is ons niet bekend.

Wat de Nederlandse rechtspraak samen laat zien

De uitspraken spreken elkaar niet tegen. Wie zijn dossier opvraagt omdat hij een geschil heeft of verwacht, maakt geen misbruik: de gegevens bestaan omdat er een arbeidsrelatie, een behandelrelatie of een spelersaccount was. Wie een relatie aangaat om een verzoek te kunnen doen, op de weigering rekent en daarna geld vraagt, maakt wel misbruik. Het verschil zit niet in het doel om te procederen, maar in het kunstmatig scheppen van de aanspraak.

Het Europese kader: wat het Hof van Justitie heeft beslist

Sinds 2018 is de maatstaf Europees. Nederlandse rechters toetsen misbruik van het inzagerecht nog steeds aan artikel 3:13 BW, maar in het licht van artikel 12 lid 5 AVG en de rechtspraak van het Hof van Justitie (14). Vier uitspraken bepalen die rechtspraak.

FT (Kopieën uit het medisch dossier), 26 oktober 2023 (C-307/22). Een Duitse patiënt die fouten bij zijn tandheelkundige behandeling vermoedde, vroeg zijn tandarts om een kosteloze kopie van zijn dossier. De eerste kopie is niet afhankelijk van een reden en de verwerkingsverantwoordelijke kan geen motivering verlangen (punt 38). Overweging 63 kan "niet aldus worden uitgelegd dat dit verzoek moet worden afgewezen indien het een ander doel heeft" dan kennisnemen van de verwerking en controleren of die rechtmatig is (punt 43). Ook bij een verzoek "met een ander doel" is dus een kosteloze eerste kopie verschuldigd (punt 52) (16).

Addiko Bank, 27 mei 2024 (C-312/23). Het Hof bevestigde dat bij beschikking op grond van artikel 99 van zijn Reglement voor de procesvoering, dus zonder arrest: de plicht een kopie te verstrekken geldt ook als het verzoek wordt ingegeven door een ander doel dan de doeleinden uit de eerste volzin van overweging 63 (17).

Österreichische Datenschutzbehörde (Buitensporige verzoeken), 9 januari 2025 (C-416/23). De Oostenrijkse toezichthouder weigerde een klacht te behandelen van iemand die in ongeveer twintig maanden 77 gelijksoortige klachten had ingediend. Het Hof zag in de uitzondering het algemene beginsel dat justitiabelen zich niet door fraude of misbruik op het Unierecht kunnen beroepen (punt 49). Het aantal klachten volstaat op zichzelf niet; de toezichthouder moet "opzettelijk misbruik" vaststellen (punt 50), bijvoorbeeld wanneer het aantal wordt verklaard door "een ander doel, dat geen verband houdt met deze bescherming" (punt 56) (18).

Brillen Rottler, 19 maart 2026 (C-526/24). Een in Oostenrijk wonende man meldde zich in maart 2023 aan voor de nieuwsbrief van een familiebedrijf van opticiens in het Duitse Arnsberg en diende dertien dagen later een inzageverzoek in. Het bedrijf wees het verzoek als misbruik af. Toen hij € 1.000 schadevergoeding vorderde, vroeg het de rechter vast te stellen dat hij daarop geen recht had, en wees het op berichten, blogs en advocatenbulletins die hetzelfde patroon beschreven: aanmelden, inzage vragen, schadevergoeding eisen (punten 12 tot en met 15). Het Hof oordeelde (5):

Een ander doel is nog geen opzet: de punten 40 en 41

Eén passage zal in elk verweer tegen een procesgedreven verzoek opduiken. Volgens punt 40 kan opzet worden vastgesteld wanneer de betrokkene het verzoek indient "voor een ander doel dan kennis te nemen van de verwerking van die gegevens en de rechtmatigheid ervan te controleren" (5). Los gelezen zou dat ook de ontslagen werknemer treffen die zijn personeelsdossier opvraagt voor een procedure over een billijke vergoeding. Zo moet het niet worden gelezen. Het Hof eist beide elementen van misbruik, vraagt om restrictieve uitleg en hoge criteria, en verwijst zelf naar FT zonder er afstand van te nemen (punt 23). Punt 41 maakt concreet wat de verwerkingsverantwoordelijke in een zaak als deze moet bewijzen: niet dat de betrokkene ook iets anders wilde, maar dat hij de voorwaarden voor een schadevergoeding kunstmatig heeft gecreëerd. Het dictum (punt 45) spreekt van een verzoek dat is ingediend "om misbruik te plegen, zoals het kunstmatig creëren van de voorwaarden voor het verkrijgen van een voordeel". Het Haagse hof las het arrest net zo (1).

Voor wie in het Nederlands procedeert, telt nog iets. De procestaal in Brillen Rottler was Duits, en alleen de tekst in de procestaal is authentiek (artikel 41 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof) (19). Waar de Nederlandse vertaling van punt 41 "duidelijk aan te tonen" zegt, vraagt de Duitse tekst een "eindeutige Nachweis"; de Franse versie spreekt van "de façon non équivoque" (5). Wie namens een verzoeker optreedt, kan zich dus op de authentieke maatstaf beroepen: het misbruik moet ondubbelzinnig vaststaan.

Waar het inzagerecht ophoudt: artikel 41 UAVG en het beroepsgeheim

Misbruik is niet de enige grens. Artikel 23 AVG staat lidstaten toe het inzagerecht bij wet te beperken, onder meer ter bescherming van "de rechten en vrijheden van anderen" en voor "de inning van civielrechtelijke vorderingen" (7). Nederland deed dat met een algemene bepaling: volgens artikel 41 lid 1 UAVG kan de verwerkingsverantwoordelijke de rechten van de artikelen 12 tot en met 21 AVG buiten toepassing laten voor zover dat "noodzakelijk en evenredig" is ter waarborging van onder meer de onafhankelijkheid van de rechter en gerechtelijke procedures (onderdeel f), de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen (onderdeel i) en de inning van civielrechtelijke vorderingen (onderdeel j) (8). Daarnaast doet het recht op een kopie geen afbreuk aan de rechten en vrijheden van anderen (artikel 15 lid 4 AVG) (7).

Advies in een arbeidsgeschil: HR 4 oktober 2024

Een voormalig medewerkster van de Rechtbank Noord-Holland vroeg na een arbeidsgeschil, beëindigd met een vaststellingsovereenkomst, inzage in de adviesaanvraag van haar werkgever aan de Raad voor de rechtspraak en in het advies. De Hoge Raad oordeelde dat artikel 41 UAVG "een afweging in een concreet geval" vergt (rov. 3.3.5), en dat tot de rechten van anderen het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht behoort "om zich te laten adviseren ter bepaling van het eigen standpunt in een geschil" (rov. 3.3.6). De weigering bleef in stand, ook na het einde van het geschil: een vrije gedachtewisseling komt ook in het gedrang als een partij vooraf rekening moet houden met inzage achteraf (rov. 3.3.7) (20).

Twee nuances. Dat de verwerkingsverantwoordelijke zelf onder "anderen" valt, was in cassatie een onbestreden uitgangspunt, geen oordeel van de Hoge Raad. En het verzoek zag alleen nog op de waarderingen en beoordelingen in de stukken, niet op andere persoonsgegevens zoals NAW-gegevens (20). Beschermd is dus de interne afstemming over het geschil, niet het personeelsdossier als geheel.

Bij medische aansprakelijkheid ligt een vergelijkbare vraag open. In een cassatie in het belang der wet tegen een beslissing van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg oordeelde de Hoge Raad op 1 december 2023 dat een patiënt aan de geneeskundige behandelingsovereenkomst (afdeling 7.7.5 BW) geen recht op inzage kan ontlenen in de bevindingen van de medisch adviseur van de aansprakelijkheidsverzekeraar van een ziekenhuis (21). Of artikel 41 UAVG zo'n weigering ook onder de AVG draagt, heeft de Hoge Raad niet beslist, zoals A-G Drijber later opmerkte. A-G Hartlief had in zijn vordering betoogd dat het antwoord doorgaans bevestigend zal zijn (nrs. 4.26 en 4.27) (11).

Een inzageverzoek aan de advocaat van de wederpartij

Een specifieke wettelijke regeling voor inzageverzoeken aan advocaten bestaat niet. Het Gerechtshof Den Haag beantwoordde de vraag op 14 december 2021 met de algemene regels. Een voormalig adviseur van een overheidsinstantie vroeg een advocatenkantoor om al zijn persoonsgegevens; volgens hem had het kantoor zijn voormalige werkgever bijgestaan bij zijn schorsing en ontslag. Het kantoor had via zijn functionaris gegevensbescherming bevestigd welke persoonsgegevens het over hem verwerkte, maar liet weten "gelet op ons beroepsgeheim" geen enkele mededeling te kunnen doen over de door hem genoemde kwesties; de feiten die hij stelde, betwistte het (rov. 2.1). Het hof onderschreef dat de geheimhoudingsplicht uit de artikelen 10a en 11a Advocatenwet een beperking is als bedoeld in artikel 23 AVG, via artikel 41 lid 1 onderdeel i UAVG, en dat zij ook "via het bepaalde in lid 4 van art. 15 Avg" aan inzage in de weg staat (rov. 6.10). Voor de informatieplicht wees het hof op artikel 14 lid 5 onderdeel d AVG (rov. 6.9); het kantoor zelf werd daarbij gelijkgesteld met de advocaten die er werken (rov. 6.12) (22).

De Autoriteit Persoonsgegevens schrijft in haar handreiking voor organisaties (bijgewerkt op 1 april 2026) in dezelfde lijn dat geen inzage hoeft te worden gegeven in "een professionele analyse van de persoonsgegevens, zoals een juridische analyse in een procedure", noch in gegevens die iemand met een beroepsgeheim verwerkt, zoals een advocaat, notaris of arts (23). Dat is een handreiking, geen wet; de grondslag blijft artikel 41 UAVG, met de afweging die de Hoge Raad voorschrijft.

Inzagerecht en exhibitieplicht: artikel 194 Rv sinds 1 januari 2025

Met de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht is artikel 843a Rv per 1 januari 2025 opgegaan in de exhibitieregeling van de artikelen 194 en verder Rv (24) (25). Voor zaken waarin op die datum al een dagvaarding was uitgebracht of een verzoekschrift was ingediend, blijft het oude recht gelden (artikel XIIA) (24). Een partij bij een rechtsbetrekking heeft recht op inzage, afschrift of uittreksel van gegevens over die rechtsbetrekking als zij voldoende belang heeft, zij draagt de kosten, en degene die over de gegevens beschikt, kan weigeren bij een verschoningsrecht of gewichtige redenen (artikel 194 leden 1 en 2 Rv) (26).

Voor het inzagerecht is lid 4 de belangrijkste bepaling: "De voorgaande leden zijn niet van toepassing voor zover de gegevens (...) de persoonsgegevens van die partij zelf betreffen" (26). De memorie van toelichting legt uit waarom: voor eigen persoonsgegevens geldt de AVG, de gegevens moeten kosteloos worden verstrekt en tegenover de betrokkene "kan (...) geen beroep op een verschoningsrecht of het bestaan van gewichtige redenen worden gedaan" (27). A-G De Bock leidde daaruit af dat het recht op inzage van de eigen persoonsgegevens "moet worden uitgeoefend onder de AVG", en zag in lid 4 een codificatie van de Dexia-lijn (nr. 17.15) (28). Die zin uit de toelichting beschrijft de AVG-kant; de beperkingen van artikel 15 lid 4 AVG en artikel 41 UAVG blijven daarnaast gelden.

De Rechtbank Den Haag zag het op 31 juli 2025 anders. Spelers vroegen twee Maltese aanbieders om hun transactiegegevens, primair op grond van de AVG en subsidiair op grond van artikel 194 Rv. De verzoekschriftprocedure van de UAVG gold volgens de rechtbank niet voor Maltese verwerkingsverantwoordelijken, zodat de AVG-vordering bij dagvaarding moest worden ingesteld. Over artikel 194 Rv nam de rechtbank, ondanks lid 4, aan dat het openstaat "voor het opvragen van eigen persoonsgegevens", maar zij wees het verzoek af omdat de spelers geen voldoende belang hadden aangetoond (rov. 4.10 tot en met 4.13) (29). Dat verhoudt zich moeizaam tot de toelichting en de conclusie van de A-G; zolang de Hoge Raad zich er niet over heeft uitgesproken, is het een open vraag.

Voor de praktijk volgt hieruit een taakverdeling. Eigen persoonsgegevens vraagt u op met artikel 15 AVG: kosteloos, zonder belang en zonder de weigeringsgronden van artikel 194 Rv. Stukken die verder gaan, zoals contracten, notulen en interne correspondentie voor zover die geen persoonsgegevens van uw cliënt bevatten, vallen onder artikel 194 Rv, met de eis van voldoende belang en de kostenregeling. Wie beide routes nodig heeft, houdt ze in de correspondentie gescheiden.

Waar de AVG-herziening staat

De Commissie publiceerde de digitale omnibus op 19 november 2025. Het voorstel wijzigt in één verordening onder meer de AVG, de e-privacyrichtlijn, de Dataverordening en de meldplichten van NIS2 (4); de afzonderlijke omnibus voor de AI-verordening is volgens de Raad op 29 juni 2026 aangenomen (2). Het gegevensdeel zit midden in de wetgevingsprocedure:

Daarna volgen een stemming in ITRE en LIBE, een standpunt van het Parlement en pas dan de trilogen. Op 26 oktober 2026 stond in het procedureoverzicht van het Parlement nog "Awaiting committee decision" (31). De Raad streeft ernaar alle vereenvoudigingspakketten uiterlijk eind 2027 af te ronden (2).

Zolang er geen verordening is aangenomen en gepubliceerd, verandert er niets. Komt de herziening er in de vorm die de Raad wil, dan treedt zij in werking op de derde dag na publicatie en gelden de AVG-wijzigingen meteen. Alleen de nieuwe meldregels voor datalekken volgen na 18 maanden, en de melding via een nationaal meldpunt na 30 maanden (3). Een nieuwe regel voor inzageverzoeken zou dus vrijwel direct gelden.

Drie teksten over artikel 12 lid 5 AVG

Artikel 15 AVG zelf blijft in het Raadsmandaat ongewijzigd; de strijd gaat over artikel 12 lid 5 en de bijbehorende overweging (3). De citaten uit het Commissievoorstel komen uit de officiële Nederlandse versie. Het Raadsmandaat en het ontwerpverslag van de rapporteurs bestaan alleen in het Engels; wat daaruit tussen aanhalingstekens staat, is onze eigen vertaling.

Het voorstel van de Commissie (november 2025)

Het mandaat van de Raad (oktober 2026)

Het ontwerpverslag van de rapporteurs van het Parlement (juni 2026)

De EDPB en de EDPS hadden in februari 2026 al om het meeste gevraagd van wat de Raad nu doet: geen koppeling aan andere doeleinden dan gegevensbescherming (met verwijzing naar de punten 38 en 43 van FT), misbruik verbinden met een misbruikoogmerk, de zin over te ruime verzoeken schrappen, de beoordeling documenteren en de betrokkene laten verduidelijken voordat een verzoek wordt afgewezen. Zij vroegen ook "redelijke gronden om aan te nemen" te laten vallen; daarin volgde de Raad hen niet (punten 53 tot en met 58) (30).

Wat dit betekent

Over de kern zijn de drie teksten en het Hof het inmiddels eens: het doel waarvoor iemand inzage vraagt, is op zichzelf geen weigeringsgrond. Het verschil zit in de bewijsmaatstaf. Het Hof eist dat misbruik ondubbelzinnig wordt aangetoond; de Raad laat "redelijke gronden om aan te nemen" volstaan. Wordt die formule wet, dan zullen verwerkingsverantwoordelijken betogen dat de wetgever de lat bewust lager heeft gelegd dan het Hof, en verzoekers dat een verordening het recht op inzage uit artikel 8 lid 2 van het Handvest niet kan uithollen. Voor procesadvocaten is dat de zinsnede om in de trilogen te volgen.

Op één punt lopen de teksten gelijk op. De Commissie en de Raad noemen allebei een inzageverzoek met het aanbod het in te trekken tegen een voordeel als voorbeeld van misbruik (4) (3), en de Rechtbank Noord-Holland wees op hetzelfde voorbeeld in de richtsnoeren van de EDPB (14) (15). Een inzageverzoek en een schikkingsvoorstel horen daarom nooit in dezelfde brief, en het een mag nooit afhankelijk worden gemaakt van het ander.

Nederlandse standpunten: kabinet, Eerste Kamer, AP en NOvA

Kabinet. In het BNC-fiche van 12 december 2025 steunt het kabinet het doel van vereenvoudiging, maar heeft het "serieuze zorgen" over een aantal AVG-wijzigingen, onder meer de grondslag voor AI en de verwerking van bijzondere persoonsgegevens. De beperking van de rechten van betrokkenen "om misbruik te voorkomen" beschrijft het fiche zonder er een standpunt over in te nemen (32). Dat standpunt volgde in het non-paper dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 8 april 2026 aan de Eerste Kamer zond. Nederland verwelkomt daarin dat het voorzitterschap artikel 12 lid 5 heeft verbeterd in lijn met het advies van de EDPB en de EDPS, en wil de wijziging alleen schrappen "if the original version from the Commission proposal is pursued" (33). Het kabinet verzet zich dus tegen de Commissietekst, niet tegen een misbruiktoets als zodanig.

Eerste Kamer. De Eerste Kamer maakte op 24 februari 2026 een parlementair behandelvoorbehoud en hief dat op 24 maart 2026 op (34). In de politieke dialoog vroegen de leden van D66, mede namens de PvdD, de Commissie op 4 maart 2026 hoe zij de zorg van de AP beoordeelt dat "de criteria voor de mogelijkheid om het recht op inzage in de AVG te beperken bij 'buitensporige verzoeken' niet duidelijk zijn" (vraag 11) (35). Het antwoord van de Commissie van 2 juni 2026 gaat daar niet op in (36). Het schriftelijk overleg met het kabinet loopt nog; op 5 oktober 2026 schreven de commissies de staatssecretaris van Economische Zaken over het vervolg van de onderhandelingen (34).

Autoriteit Persoonsgegevens. In haar position paper van januari 2026 steunt de AP vereenvoudiging, maar niet ten koste van bescherming. Over het inzagerecht schrijft zij: "Alleen zijn de criteria voor wat geldt als een buitensporig verzoek heel breed geformuleerd." Organisaties zouden nieuw beleid moeten maken om te beoordelen wat buitensporig is "en dit mogelijk verschillend uitleggen" (37). In haar handreiking stuurt de AP bij zeer veel verzoeken van dezelfde persoon eerder aan op een redelijke administratieve vergoeding dan op weigering (38), en al in 2019 benadrukte zij dat artikel 12 lid 5 "juist een individuele beoordeling" van elk verzoek veronderstelt (39).

Orde van Advocaten. Voor zover wij konden nagaan, heeft de NOvA zich niet publiekelijk over de AVG-wijzigingen in de omnibus uitgesproken.

Wat de Raad verder wil wijzigen

Het mandaat bevat meer wijzigingen die voor kantoren en cliënten tellen. Ook hier gaat het om het standpunt van de Raad, niet om recht.

Wat advocaten nu kunnen doen

Namens de verzoeker

Namens de verwerkingsverantwoordelijke

Als het verzoek bij uw eigen kantoor binnenkomt

Advocatenkantoren zijn zelf verwerkingsverantwoordelijke. Een wederpartij of oud-medewerker die zich tot het kantoor wendt, stuit op de geheimhoudingsplicht, zoals het Haagse hof in 2021 aannam (22). Dat ontslaat het kantoor niet van een antwoord: reageer binnen de termijn, verstrek wat buiten de geheimhouding valt en zeg op welke beperking het kantoor zich voor de rest beroept.

Een verzoek van een (oud-)cliënt ligt anders; wat volgt is onze eigen inschatting. De geheimhoudingsplicht bestaat ten behoeve van de cliënt. Artikel 10a Advocatenwet maakt de advocaat in het belang van de rechtsbescherming van zijn cliënt diens "vertrouwenspersoon" (41). De Gedragsregels advocatuur 2018, die geen wet zijn, spreken van "degene jegens wie hij tot geheimhouding verplicht is" en verplichten de advocaat zijn cliënt op de hoogte te brengen van belangrijke informatie (regels 3 en 16) (42). Tegenover de cliënt zelf draagt artikel 11a Advocatenwet daarom in de regel geen weigering. De zin over het beroepsgeheim in de handreiking van de AP maakt geen onderscheid naar wie het verzoek doet en is op deze situatie niet toegesneden (23). Grenzen zijn er wel. Vertrouwelijkheid die de advocaat aan een wederpartij of derde heeft toegezegd, of die uit de aard van die relatie voortvloeit, neemt hij volgens regel 3 lid 5 ook jegens zijn cliënt in acht (42). Gegevens van anderen worden afgeschermd (artikel 15 lid 4 AVG). En bij een geschil tussen kantoor en oud-cliënt, over een declaratie of een beroepsfout, kan de interne afstemming met de eigen adviseur of verzekeraar over dat geschil worden beschermd langs de lijn van de Hoge Raad van 4 oktober 2024 (20); volgens regel 3 lid 4 belet de geheimhouding het kantoor ook niet zich te verweren (42). Houd ten slotte het inzageverzoek en een verzoek om afgifte van het dossier uit elkaar: het eerste geeft recht op een kopie van persoonsgegevens, niet zonder meer op het dossier als zodanig.

Bij advies over de herziening

Laat cliënten hun procedures voor inzageverzoeken niet aanpassen op basis van het Commissievoorstel: de Raad heeft de kern ervan geschrapt, en de rapporteurs van het Parlement en het kabinet wijzen het af. Zinvol is wel een vaste werkwijze om misbruik te documenteren; die is onder het huidige recht al nodig en wordt onder elke denkbare nieuwe tekst belangrijker. Volg de stemming in de commissies ITRE en LIBE en het lot van "redelijke gronden om aan te nemen" in de trilogen.

Hoe LexVera dit werk ondersteunt

Bij een herziening in onderhandeling gaat juridisch onderzoek het makkelijkst mis: er is één geldende tekst en er zijn drie ontwerpen die erop lijken. Een memo dat de Commissietekst aanhaalt alsof het artikel 12 lid 5 AVG is, bevat een fout waar een cliënt naar kan handelen. LexVera beantwoordt vragen vanuit officiële bronnen: de AVG, de rechtspraak van het Hof van Justitie, Nederlandse wetgeving en rechtspraak en de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Wat nog in onderhandeling is, zoals het Raadsmandaat, leest u in de bron zelf. Een antwoord blijft verbonden met de passage waarop het steunt: wie leest dat een eerste verzoek mag worden geweigerd, opent punt 41 van Brillen Rottler en ziet zelf wat de verwerkingsverantwoordelijke moet aantonen.

Waar een zaak van een datum afhangt, kan Nederlandse wetgeving worden gelezen in de tekst die op die datum gold; of een exhibitievordering onder artikel 843a Rv of artikel 194 Rv valt, hangt af van de dag waarop de zaak aanhangig werd. De documenten van een kantoor blijven in de werkomgeving van dat kantoor, onder de toegangsregels die het kantoor zelf instelt voor zaken en teams. LexVera ondersteunt de voorbereiding; een advocaat beslist wat er als advies naar de cliënt gaat. Dat is ook de maatstaf in ons redactioneel beleid.

Veelgestelde vragen

Is de AVG al gewijzigd?

Nee. De digitale omnibus zit nog in de wetgevingsprocedure. De Raad stelde op 21 oktober 2026 zijn onderhandelingsmandaat vast, maar het Europees Parlement heeft nog geen standpunt en de trilogen zijn niet begonnen. Tot een verordening is aangenomen en gepubliceerd, geldt de AVG zoals zij in 2016 is vastgesteld en door het Hof van Justitie is uitgelegd.

Mag een verwerkingsverantwoordelijke een inzageverzoek weigeren omdat het een procedure voorbereidt?

Niet om die reden alleen. Volgens het Hof van Justitie in FT (C-307/22) hoeft een inzageverzoek niet te worden gemotiveerd en mag het niet worden afgewezen omdat het een ander doel heeft dan het controleren van de verwerking. Het Gerechtshof Den Haag verwierp op 29 september 2026 op die grond het betoog van een online casino dat een speler zijn gegevens alleen opvroeg om het casino aansprakelijk te stellen. Weigeren kan alleen als de verwerkingsverantwoordelijke opzettelijk misbruik aantoont, zoals het kunstmatig scheppen van een schadeclaim.

Wat heeft het Hof van Justitie beslist in Brillen Rottler?

Op 19 maart 2026 oordeelde het Hof in zaak C-526/24 dat ook een eerste inzageverzoek als buitensporig mag worden geweigerd, maar alleen bij wijze van uitzondering en op hoge criteria. De verwerkingsverantwoordelijke moet aantonen dat het verzoek niet is gedaan om kennis te nemen van de verwerking, maar om kunstmatig de voorwaarden voor een schadevergoeding te scheppen. Waar de Nederlandse vertaling van punt 41 spreekt van duidelijk aan te tonen, vraagt de authentieke Duitse tekst (Duits was de procestaal) een ondubbelzinnig bewijs. Openbare informatie over een patroon van verzoeken en claims mag meewegen als andere gegevens die bevestigen.

Hebben Nederlandse rechters al misbruik van het inzagerecht aangenomen?

Ja, in eerste aanleg. De Rechtbank Noord-Holland verklaarde in juli 2026 een verzoeker niet-ontvankelijk die volgens eigen zeggen zo'n negentig inzageverzoeken had gedaan na online bestellingen en daarna schadevergoeding eiste. Of hoger beroep is ingesteld, is niet bekend. Een uitspraak van de Hoge Raad over misbruik van het inzagerecht onder de AVG hebben wij niet gevonden.

Wat verandert het Raadsmandaat aan artikel 12 lid 5 AVG?

De Raad schrapt het voorstel van de Commissie om verzoeken voor andere doeleinden dan gegevensbescherming te laten weigeren. Een verwerkingsverantwoordelijke zou een verzoek op grond van artikel 15 kunnen weigeren of er een vergoeding voor kunnen vragen als een misbruikoogmerk van de betrokkene kan worden aangetoond, met opgave van redenen. De bewijslast blijft bij de verwerkingsverantwoordelijke, maar de Raad houdt de lagere maatstaf van redelijke gronden om aan te nemen vast. Het mandaat is een onderhandelingspositie, geen recht.

Kan een advocatenkantoor een inzageverzoek van de wederpartij weigeren?

Voor zover de gegevens onder de geheimhoudingsplicht van de advocaat vallen, wel. Het Gerechtshof Den Haag oordeelde in 2021 dat die geheimhoudingsplicht via artikel 41 UAVG en artikel 15 lid 4 AVG aan inzage in de weg staat. Het kantoor moet wel binnen de termijn antwoorden en uitleggen op welke beperking het zich beroept. Bij een verzoek van de eigen (oud-)cliënt ligt dat anders: de geheimhouding bestaat juist ten behoeve van die cliënt, al blijven gegevens van derden en toegezegde vertrouwelijkheid beschermd.

Kan ik voor mijn eigen persoonsgegevens ook artikel 194 Rv gebruiken?

Volgens artikel 194 lid 4 Rv en de toelichting daarop is de AVG voor eigen persoonsgegevens de aangewezen route, zonder de eisen van belang en kosten. De Rechtbank Den Haag nam in 2025 toch aan dat artikel 194 Rv openstaat voor eigen gegevens, maar wees het verzoek af. Die vraag is nog niet beslecht.

Bronnen en verantwoording

Dit artikel geeft de stand van zaken weer op basis van de hieronder genoemde bronnen zoals beschikbaar op 26 oktober 2026. De AVG, het voorstel van de Commissie en de arresten van het Hof van Justitie zijn geciteerd uit de Nederlandse taalversies; bij Brillen Rottler, met Duits als procestaal, zijn ook de Duitse en de Franse versie geraadpleegd. De beschikking in Addiko Bank bestaat alleen in het Frans en het Kroatisch; wat daarover staat, is een parafrase van de Franse tekst. Het Raadsmandaat (Raadsdocument 14756/26) en het ontwerpverslag van het Europees Parlement bestaan alleen in het Engels; citaten daaruit zijn onze eigen vertaling van de Engelse tekst. Nederlandse uitspraken zijn gelezen in de volledige tekst op rechtspraak.nl, met uitzondering van HR 1 december 2023, die alleen is gebruikt voor het daar genoemde punt; uitspraken in kort geding en in eerste aanleg zijn als zodanig aangeduid. Uitspraken over de manier waarop teksten moeten worden gelezen en de passage over verzoeken van de eigen cliënt zijn onze analyse. Dit is algemene informatie voor juristen en geen advies in een concrete zaak.

  1. Hof Den Haag 29 september 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2861 (kort geding), rov. 3.3, 4.1, 6.6, 6.10.3, 6.15 tot en met 6.22, 6.24 tot en met 6.27, 6.32, 6.33 en 6.35.4
  2. Raad van de Europese Unie, persbericht "Digital rulebook: Council agrees position to simplify data protection, privacy and cyber reporting rules", 21 oktober 2026 (bijgewerkt 22 oktober 2026)
  3. Raad van de Europese Unie, Digital Omnibus, mandaat voor de onderhandelingen met het Europees Parlement, Raadsdocument 14756/26 van 22 oktober 2026, overwegingen 35 en 35a, artikel 3 (wijziging van de artikelen 4, 9, 12, 13, 22, 25, 33, 35 en 57 AVG en nieuwe artikelen 25a en 88 bis) en artikel 11
  4. Europese Commissie, Voorstel voor een verordening wat betreft de vereenvoudiging van het digitale wetgevingskader (digitale omnibus), COM(2025) 837 final, 19 november 2025, toelichting, overweging 35 en artikel 3
  5. HvJ EU 19 maart 2026, C-526/24, ECLI:EU:C:2026:216 (Brillen Rottler), punten 12 tot en met 15, 23, 35 tot en met 45, 60, 63, 65 en 67
  6. Europees Parlement, commissies ITRE en LIBE, ontwerpverslag over de digitale omnibus (rapporteurs Aura Salla en Marina Kaljurand), PE786.818, 22 juni 2026, amendementen 5, 48 en 49 en toelichting
  7. Verordening (EU) 2016/679 (Algemene verordening gegevensbescherming), artikelen 12, 15 en 23 en overweging 63
  8. Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, artikelen 35 en 41 (tekst geldend vanaf 1 september 2026)
  9. HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4663 (Dexia), rov. 3.4, 3.6.1 en 3.6.2
  10. HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3529 (HBU), rov. 3.3, 3.4 en 3.6
  11. Conclusie A-G Drijber 12 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:416, nrs. 4.9, 4.26 en 4.27
  12. Hof Arnhem-Leeuwarden 19 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1924, rov. 4.4
  13. Rb. Amsterdam (vzr.) 24 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:11284, rov. 4.8
  14. Rb. Noord-Holland 13 juli 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:8285, rov. 2.4, 4.6 tot en met 4.8, 4.10, 4.14, 4.17 en 4.26
  15. Rb. Noord-Holland 21 juli 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:9166, rov. 4.5, 4.7, 4.14 en 4.15
  16. HvJ EU 26 oktober 2023, C-307/22, ECLI:EU:C:2023:811 (FT (Kopieën uit het medisch dossier)), punten 38, 43 en 52
  17. HvJ EU (beschikking) 27 mei 2024, C-312/23, ECLI:EU:C:2024:458 (Addiko Bank), artikel 99 Reglement voor de procesvoering, dictum onder 2; alleen beschikbaar in het Frans en het Kroatisch (procestaal Kroatisch)
  18. HvJ EU 9 januari 2025, C-416/23, ECLI:EU:C:2025:3 (Österreichische Datenschutzbehörde (Buitensporige verzoeken)), punten 11, 49, 50 en 56
  19. Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie van 25 september 2012 (geconsolideerde versie), artikel 41
  20. HR 4 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1372, rov. 3.3.5 tot en met 3.3.7
  21. HR 1 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1670 (cassatie in het belang der wet), rov. 3.15
  22. Hof Den Haag 14 december 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2793, rov. 2.1, 6.9, 6.10 en 6.12
  23. Autoriteit Persoonsgegevens, Voor organisaties: recht op inzage in de praktijk, bijgewerkt op 1 april 2026
  24. Wet van 6 maart 2024, Stb. 2024, 62 (Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht), artikel I en artikel XIIA
  25. Besluit van 25 maart 2024, Stb. 2024, 72 (inwerkingtreding per 1 januari 2025)
  26. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, artikel 194
  27. Kamerstukken II 2019/20, 35 498, nr. 3 (MvT), toelichting bij artikel 194 lid 4
  28. Conclusie A-G De Bock 10 juli 2024, ECLI:NL:PHR:2024:750, nrs. 17.14 en 17.15
  29. Rb. Den Haag 31 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14322, rov. 4.10 tot en met 4.13
  30. EDPB en EDPS, Joint Opinion 2/2026 over het voorstel voor een digitale omnibus, aangenomen op 10 februari 2026, hoofdstuk 3 en punten 53 tot en met 59
  31. Europees Parlement, Legislative Observatory, procedure 2025/0360(COD), geraadpleegd op 26 oktober 2026
  32. Kamerstukken II 2025/26, 22 112, nr. 4223 (fiche Omnibus AI en Omnibus Digitaal, brief van 12 december 2025)
  33. Brief van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de Eerste Kamer van 8 april 2026, met het non-paper van Nederland over de AVG-wijzigingen in de digitale omnibus
  34. Eerste Kamer, Europees dossier E260003, Digitaal pakket van de Europese Commissie, geraadpleegd op 26 oktober 2026
  35. Kamerstukken I 2025/26, 36 890, G (brief van de commissies voor Digitalisering en voor Economische Zaken en Klimaat en Groene Groei aan de Europese Commissie, 4 maart 2026), vraag 11
  36. Kamerstukken I 2025/26, 36 890, V (brief van de Europese Commissie, 2 juni 2026)
  37. Autoriteit Persoonsgegevens, Position paper AP: Omnibus Digitaal en Omnibus AI, januari 2026
  38. Autoriteit Persoonsgegevens, Voor organisaties: privacyrechten in de praktijk, bijgewerkt op 1 april 2026
  39. Autoriteit Persoonsgegevens, besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete aan BKR, 30 juli 2019, p. 12
  40. HvJ EU 4 september 2025, C-413/23 P, ECLI:EU:C:2025:645 (EDPS/SRB), punt 86
  41. Advocatenwet, artikelen 10a en 11a (tekst geldend vanaf 1 januari 2026)
  42. Nederlandse orde van advocaten, Gedragsregels advocatuur 2018, regel 3 (vertrouwelijkheid) en regel 16 (informatieplicht)